Evola en het Hyperboreaanse Mysterie

Giovanni Sessa (2021)

Julius Evola was een productief schrijver. Naast een aanzienlijk aantal boeken, gewijd aan zeer uiteenlopende kennisgebieden, van dadaïsme tot filosofie, van hermetisme tot de kritiek van de moderniteit, schreef hij ook een talrijke essays en artikelen in tijdschriften en kranten. De Evola- Stichting verzamelt al jaren de verschillende bijdragen van de traditionalist in boekdelen. Het boek van de denker Il mistero dell’Occidente. Scritti su archeologia, preistoria e Indoeuropei 1934-1970, onder redactie van Alberto Lombardo, aan wie wij ook de interessante inleiding te danken hebben, alle uitgegeven door de Fondazione Evola/Pagine, Quaderno n. 53 di testi evoliani. Het boek wordt verrijkt door het uitgebreide nawoord van Giovanni Monastra, een bioloog gespecialiseerd in de fysische antropologie, die, zoals Gianfranco de Turris ons bevestigt: “Een overzicht geeft van de meest recente genetische studies […] die het door Evola geschetste beeld van de Indo-Europese prehistorie deels hebben bevestigd, deels gewijzigd” (p. 7)

De verzameling bevat twintig geschriften die door de filosoof zijn gewijd aan de verkenning van het thema oorsprong. Dit notitieboekje is dus aanzienlijk omvangrijker dan het vorige, dat in 2002 verscheen en een tiental geschriften bevatte, en stelt de lezer in staat te begrijpen wat Evola werkelijk dacht over de Indo-Europese oorsprong en prehistorie, dat wil zeggen over wat op deze bladzijden herhaaldelijk wordt omschreven als het Hyperboreaanse of Westerse mysterie. Zoals Lombardo ons in herinnering brengt, is deze bundel des te belangrijker als we kijken naar de invloed die de essays die erin zijn opgenomen, hebben uitgeoefend op naoorlogse auteurs en denkstromingen. Adriano Romualdi verwijst in zijn verlichte studie over de Indo-Europeanen zelfs uitdrukkelijk naar het onderzoek van Evola en probeert het te combineren met de ontdekkingen van Giacomo Devoto. De speciale nummers van de tijdschriften Nouvelle Ecole en Futuro Presente, gewijd aan de oorsprong van de Europese volkeren, getuigen van de relevantie van Evola’s intuïties, evenals de werken van Jean Haudry, Felice Vinci en Jean Mabire.

Uit deze artikelen kan men afleiden welke auteurs Evola gebruikte om het Hyperboreaanse mysterie te ontleden. Allereerst duikt de naam op van Fabre d’Olivet (illustratie, boven), die de eerste was om “de verre Noords-Arctische, Boreale of Hyperboreaanse oorsprong van het blanke ras” te verdedigen (blz. 13). Aan verwijzingen naar Guénon geen gebrek, ook al maakt Evola, in tegenstelling tot de Franse esotericus, ook gebruik van wetenschappelijke gegevens, zij het ondergeschikt gemaakt aan de traditionele methode. In de jaren dertig was Herman Wirth de geleerde tot wie de traditionalisten zich met de grootste belangstelling wendden. Aan hem moet een ongebruikelijk vermogen worden toegeschreven om een enorme massa gegevens synthetisch te lezen met het oogmerk de Arctische oorsprong van de Indo-Europeanen te bewijzen. 

Vanuit het noordpoolgebied trokken deze volkeren na de laatste grote ijstijd “naar het zuidoosten, waar talrijke prehistorische beschavingen ontstonden” (blz. 14), waarvan de religieuze waarden waren gecentreerd op het monotheïsme van de zon. In zijn geschriften van de jaren 1950 matigt Evola zijn positieve oordeel over Wirth, hoewel hij hem blijft beschouwen als een auteur van grote diepgang. Voor de Romeinen was de oorspronkelijke zonne-spiritualiteit de vrucht van patriarchale beschavingen, niet van tellurisch-matriarchale. Wirth kon dit standpunt niet delen omdat hij, volgens de filosoof, een echte traditionele visie op de prehistorie miste. Dezelfde uitspraak, zo merkt Lombardo op, duikt ook weer op in Il mito del sangue. In Il cammino del cinnabro (Het pad van cinnaber) daarentegen komt een algemeen positief oordeel over Wirth’s werk naar voren, omdat hij het nulpunt van de geschiedenis in de “Oertraditie” heeft geïdentificeerd.

In het boek Urgeschichte der Menschheit wordt Wirth bijgevallen door Tilak, een voorstander van de arctische oorsprong van de Veda’s. Evola gelooft dat het Arctische proto-patroon ook in biologische termen kan worden beargumenteerd. In The Hyperborean Hypothesis stelt de traditionalist dat bloedgroepen 0 en A: “een nauwe verwantschap hebben […] met de Arische en, in het algemeen, Indo-Germaanse rassen” (p. 17). De genetische gegevens worden door Evola echter gelezen als onderdeel van een groter geheel van elementen, waaronder de mythologische tradities van de verschillende Europese volkeren. Voor de Italiaanse geleerde zou het etnische kader van Europa uit drie elementen bestaan: “een niet-Arisch en autochtoon substraat, en twee andere Arische elementen, die overeenkomen met twee verschillende migratiebewegingen”. Bovendien blijkt uit een gesprek met de archeoloog Frobenius in Wenen dat de traditionalistische denker van mening was dat de figuratieve stijl die hij in Noord-Afrika, Spanje en Sardinië had waargenomen, wees op dezelfde Noord-Atlantische of West-Arctische oorsprong. Voor Evola waren de Hyperboreaanse en Atlantische mythen “twee verschillende voorstellingen van migraties, waarbij de eerste echter veel verder in de tijd lag dan de laatste” (blz. 19).

Het werkstuk, getiteld La migrazione dorica in Italia, is uitdrukkelijk schatplichtig aan de ideale wereld van Franz Altheim, die de geestelijke nabijheid van Sparta en Rome goed had begrepen. Het is in deze context dat Evola’s bijzondere lezing van het matriarchaat naar voren komt, deels afgeleid van Bachofen, als een tellurische, maancultus van een beschaving die op juridisch-politiek niveau gekenmerkt zou zijn geweest door universalistische tendensen van sociale promiscuïteit. In tegenstelling, natuurlijk, tot het patriarchaat, een mannelijke, heldhaftige, aristocratische en solistische uitdrukking. Evola’s lezing van Günther’s pagina’s gaat ook in dezelfde theoretische richting, en brengt hem ertoe het matriarchaat en het patriarchaat te beschouwen als “onveranderlijke psychologieën”. De bundel laat ook zien dat de filosoof al in 1934 ras niet in termen van “natuur” maar van “cultuur” ziet, en zich daarmee distantieert van de biologishe-zoölogische visie die zich in die jaren op tragische wijze in Duitsland deed gelden.

Onder de andere thema’s die uit de bundel naar voren komen, is Evola’s belangstelling voor Dumézil’s ‘tripartiete’ ideologie zeker het vermelden waard. Evola wijst erop dat deze laatste, vooral in India, een “viervoudige” variatie heeft ondergaan, die de intuïtie van de Franse godsdiensthistoricus niet kan ontkrachten, omdat “alleen de eerste drie kasten het erfgoed vertegenwoordigen van de Arische indringers in India” (p. 27). Bovendien zijn de exegeses van de twee geleerden over de figuur van de krijger synoniem. De belangstelling van de Romeinse denker voor Dumézil werd wellicht gestimuleerd door Eliade, zoals blijkt uit enkele brieven van Evola.

Een werkelijk centrale tekst, Het Mysterie van het Westen, voor wie zich bezighoudt met de exegese van Evola’s werk.

Vertaling: elementen

Oorspronkelijke tekst: https://www.centrostudilaruna.it/evola-e-il-mistero-iperboreo.html

En: Evola et le mystère hyperboréen : Euro-Synergies (hautetfort.com)



Categorieën:Metapolitiek, Traditie

Tags: , , , , , , , ,