Leo Frobenius: Atlantis-mythe, pantheon en Yoruba cultuur

Manlio Triggiani

De mens heeft zich altijd afgevraagd hoe de wereld en zijn eigen beschaving zijn ontstaan. Mircea Eliade plaatste kosmogonie (de geboorte van de wereld) en mythen aan de oorsprong van de beschaving als een relevant aspect in menselijke gemeenschappen. De Roemeense onderzoeker stelde een fundamenteel aspect vast: in het centrum van alle beschavingen ontbraken mythen niet die echte verhalen vertaalden die zich afspeelden in een verbeelding die kracht gaf aan de identiteit en traditie van volkeren. De mythe van Atlantis is een mythe die periodiek is teruggekeerd in de voorhoede van de westerse verbeelding, bijna als om de plaats van oorsprong van de wereld te vertellen en te ontdekken. De eerste die erover sprak was Plato in twee dialogen: Critias en Timaeus. Plato verklaart de oorsprong van deze mythe: Poseidon had een eiland, Atlantis, waar hij zijn kinderen het leven wilde schenken aan een welvarende, op het heilige gebaseerde beschaving. Maar al snel kwam de decadentie en het heilige had niet meer het belang dat het ooit had.

Zeus zond in zijn woede aardbevingen en overstromingen die in één dag en één nacht het eiland tot zinken brachten en alle inwoners doodden. In de verbeelding is Atlantis – vooral in de literatuur – een plaats van wonderen gebleven, een mythische plaats. In werkelijkheid werd het discours over Atlantis hervat na de ontdekking van Amerika door de Genuese zeevaarder Christoffel Columbus. De hypothese van een Atlantische oorsprong van de Amerindiaanse volkeren werd naar voren gebracht. Sindsdien zijn de hypotheses verveelvoudigd. In 1882 publiceerde de Amerikaanse schrijver Ignatius Donnelly een boek dat opzien baarde omdat hij, zonder enig concreet bewijs, beweerde dat alle kennis van de wereld afkomstig was van dit eiland dat na een catastrofe in de afgrond was verdwenen. Kort daarna begon een jonge geleerde met een passie voor oude beschavingen en een voorliefde voor Afrika hun theorieën te bestuderen en te verspreiden. Zijn naam was Leo Viktor Karl August Frobenius (1873-1938); hij had de boeken bestudeerd van Friedrich Ratzel, grondlegger van de geografische antropologie, een tak van de Duitse geopolitiek. Frobenius ontwikkelde de theorie van de “culturele cirkels”, een globale visie die hypothesen verschaft over de verplaatsing van volkeren in verschillende historische perioden over de millennia heen. Deze Pruisische antropoloog was de kleinzoon van Heinrich Bodinus, directeur van het Berlijnse Zoölogisch Park en vriend van vele ontdekkingsreizigers uit die tijd. Vanaf zijn kinderjaren was de kleine Leo sterk beïnvloed door en geïnteresseerd in dit soort onderzoek. In het bijzonder las hij de reis- en studiememoires van Stanley, Wissmann, Peters, Livingstone, enz. Toen hij opgroeide, begon hij de etnografische musea van Bremen, Leipzig, Hamburg en Basel te bezoeken. Zijn dissertatie over Afrika werd niet aanvaard door de universiteiten van Basel en Freiburg omdat men vond dat het geen wetenschappelijke basis had.

In 1904 slaagde hij erin een expeditie te organiseren naar de Kongo, in de Kasaï-regio, die toen het persoonlijk eigendom was van Leopold II van Saksen-Coburg-Gotha, koning der Belgen. Daarna organiseerde hij een dozijn missies. Tussen 1910 en 1912 bezocht hij Nigeria en Kameroen. In het zuidwesten van Nigeria verbleef hij lange tijd in Ile-Ife, de religieuze hoofdstad van het oude koninkrijk Benin en het centrum van de Yoruba-cultuur. Hij kwam in contact met het Yoruba volk, ontmoette enkele wijze mannen en werd ingewijd in de stamreligie. Zo had hij de gelegenheid om het heilige te leren kennen volgens de Yoruba-beschaving. Frobenius merkte op dat de religieuze en mythologische verwijzingen van de sacrale structuur van deze volkeren in zekere zin deden denken aan die van andere volkeren uit de oudheid. Zijn studiehypothese, die opzien baarde en wereldwijd werd verspreid ondanks het feit dat Frobenius geen lid was van de Academie, was dat in de oudheid een preklassieke westerse beschaving contact zou kunnen hebben gehad met West-Afrika. Er waren geen bewijzen voor dergelijke contacten, het was slechts een hypothese, maar het is zeker dat het beschavingsniveau van de Yoruba veel hoger was dan dat van andere Afrikaanse gemeenschappen. Een echte observatie die later door andere onderzoekers werd bevestigd. Frobenius noemde dit contact het “Atlantische residu”; andere onderzoekers hebben het omgedoopt tot het “blanke residu”.

Frobenius was een nieuwsgierig kind van zijn tijd en een groot voorstander van het keizerlijke en koloniale Duitsland in het Wilhelminische tijdperk. Hij beweerde dat onder de Afrikaanse bevolkingsgroepen sommige een hoog niveau van creativiteit en spiritualiteit hadden. Al deze theorieën, studies en de zekerheid dat er in primitieve tijden contact zou zijn geweest tussen de Atlantische volkeren en die van West-Afrika, meldde Frobenius in een boek, Die atlantische Goetterlehre. Het boek is nu heruitgegeven in het Italiaans met de titel I miti di Atlantide. Een interessant boek omdat het de mythologie, de sociale structuur van de Yoruba, het religieuze leven en het pantheon van goden van deze beschaving behandelt en bestudeert.

Vertaling: rv      

Oorspronkelijke tekst: https://www.barbadillo.it/99465-segnalibro-leo-frobenius-



Categorieën:Mythologie

Tags: , , , ,