Spengler en de aangekondigde ondergang van het Avondland

Valentin Katasonov (2021)

Ongeveer honderd jaar geleden werd het boek “De ondergang van het Avondland” (Der Untergang des Abendlandes) van Oswald Spengler (1880-1936) gepubliceerd. Ik zeg “ongeveer” omdat het werk uit twee delen bestaat: het eerste deel werd gepubliceerd in 1918, het tweede in 1922.

Het boek ontstond in een tijd dat Europa brandde in de vlammen van de Eerste Wereldoorlog, en de woorden “decadentie”, “ineenstorting”, “dood” van Europa in 1918 niet als schokkend werden ervaren.

In een nauwkeurige vertaling klinkt de titel van Spenglers boek meer als het Engelse “The Sunset of the West”, en de nadruk op Europa is in de vertaalde uitgave gelegd in de jaren twintig van de vorige eeuw: Noord-Amerika leek toen vrij welvarend, er was geen teken van het verval van de nieuwe wereld. Vandaag is het een andere vraag of Spengler’s boek zijn oorspronkelijke titel, die wij in het Engels “Sunset of the West” zouden noemen, moet terugkrijgen.

Honderd jaar lang behoorde het werk van Spengler tot de beroemdste werken over de filosofie van geschiedenis en cultuur van de 20e eeuw. Op verschillende momenten explodeerde de belangstelling voor het boek en nam daarna af. K. A. Svasian, die een nieuwe vertaling heeft gemaakt van het eerste deel van Der Untergang des Abendlandes geeft in het voorwoord bij de publicatie van dit deel in 1993 een aantal interessante statistische gegevens. In Duitsland bevat de bibliografie van werken over Spengler tussen 1921 en 1925 35 titels. In de volgende vijf jaar neemt heet aantal af tot vijf. 1931-1935 – in de periode die gekenmerkt wordt door de vervolging van Spengler door de nazi’s – verschijnen negen werken, in 1936-1940 – opnieuw vijf. “In de naoorlogse periode,” schrijft K. A. Svasyan, “verslechterde het imago aanzienlijk, en pas in de jaren zestig kwam hij weer schuchter op de voorgrond, dankzij de inspanningen van Anton Mirko Koktanek (de auteur van het boek Oswald Spengler und seine Zeit dat in 1968 verscheen – V.K.) , die Spenglers correspondentie en wat materiaal uit zijn… kortstondige nalatenschap publiceerde…”

Ik heb de indruk dat de belangstelling voor het werk van Spengler in de jaren 1990 en 2000 begon terug te lopen, in de jaren 2010 gelijk bleef, en sinds vorig jaar weer aantrekt. En geen wonder : er zijn niet alleen tekenen van verval, maar ook van de dood van Europa, van de gehele westerse wereld, ja van de mensheid.

De beoordelingen van Spengler’s werk waren verschillend, soms lijnrecht tegenover elkaar staand. Een van de eerste beoordelingen is van de Duitse filosoof en socioloog Georg Simmel (1858-1918). Hij las het eerste deel van Untergang des Abendandes een maand voor zijn dood en noemde het werk van Spengler “de meest significante filosofie in de geschiedenis na Hegel”. Maar de Duitse filosoof en culturoloog Walter Benjamin (1892-1940) beschouwde het als waardeloos.

Spengler’s werk is ongelijk en dubbelzinnig. Er zijn trivialiteiten en vernuftigheden, maar ook enkele heel originele dingen. De auteur geeft blijk van een verbazingwekkende eruditie met betrekking tot zijn kennis van vele culturen. Sommige critici hebben Spengler erop gewezen dat hij zijn geschiedfilosofie op wankele grond heeft gebouwd, zonder te refereren aan vele werken over de filosofie van de geschiedenis. Spengler weerlegt in de bladzijden van Der Untergang des Abendlandes de aanvallen die hij verwachtte. Hij verklaart dat hij de officiële academische wetenschap niet vertrouwt. Net als andere sociale (humanitaire) wetenschappen beschouwt hij geschiedenis niet als een wetenschap, maar vertrouwt hij uitsluitend op de natuurwetenschappen. Spengler is wiskundige van opleiding en vertrouwt vooral op deze wetenschap. Hij hield van de mystiek van getallen, en het eerste hoofdstuk van het eerste deel is getiteld gaat over de betekenis van getallen.

Velen hebben het werk van Spengler toegeschreven aan het genre van de geschiedenisfilosofie (historiosofie). De auteur zelf verklaarde echter dat de critici zijn bedoeling niet eens begrepen. Dit is geen werk over de filosofie van de geschiedenis, maar over de cultuur als verschijnsel van de menselijke geschiedenis. In de geschiedenis worden sommige culturen door andere vervangen, bestaan verschillende culturen naast elkaar, kunnen culturen elkaar beïnvloeden, van elkaar lenen, met elkaar concurreren en zelfs proberen elkaar te vernietigen. Met een zekere variabiliteit in de uiterlijke vormen, is de interne structuur van de cultuur zeer sterk. Spengler’s object van onderzoek is de cultuur, haar structuur en vormen. De ondertitel van Der Untergang des Abendlandes verklaart de bedoeling van de auteur: Umrisse einer Morphologie der Weltgeschichte

Spengler beschouwt de officiële historische wetenschap als primitief: “De oude wereld, de Middeleeuwen, de moderne tijd: dit is een ongelooflijk dun en betekenisloos schema”. Spengler contrasteert dit lineaire schema met zijn morfologisch schema. Morfologie is een wetenschap die in het kader van de natuurwetenschappen is ontstaan en die de structuur en de vormen bestudeert van verschillende voorwerpen in de materiële wereld: mineralen, planten, levende organismen. En Spengler past het patroon van de morfologische studie van de natuur toe op de menselijke samenleving. Voor Spengler is elke samenleving een organisme met een complexe structuur, met onderling verbonden elementen en vormen. En dit sociale organisme wordt “cultuur” genoemd. Elke cultuur wordt voorafgegaan door de geboorte van een “ziel”, waarmee Spengler een nieuw wereldbeeld bedoelt (religieus of wetenschappelijk): “Elke nieuwe cultuur ontwaakt met een bepaald nieuw wereldbeeld”.

Spengler onderscheidde acht wereldculturen: Egyptisch, Babylonisch, Chinees, Indiaas, Meso-Amerikaans, Oudheid, Arabisch en Europees. Spengler noemde ook de negende grote cultuur: de Russisch-Siberische cultuur. Hij beschouwde het als een ontwaken en sprak er zeer kort over, de contouren ervan waren vaag voor hem.

Het is gemakkelijk in te zien dat Spenglers “cultuur” overeenkomt met wat tegenwoordig vaker “beschaving” wordt genoemd.

Hoewel Spengler ook het begrip “beschaving” gebruikte, gebruikte hij het in een andere betekenis. In zijn concept heeft elke cultuur haar eigen levenscyclus: “Elke cultuur heeft haar eigen kindertijd, haar eigen jeugd, haar eigen volwassenheid en haar eigen ouderdom”. Wat aan de ouderdom voorafgaat, noemt Spengler cultuur in de eigenlijke zin van het woord. En hij noemt een verouderende en stervende cultuur een “beschaving”: “Elke cultuur heeft haar eigen beschaving. Beschavingen “blijven worden wat ze zijn geworden, leven zowel als dood, ontwikkeling zowel als afstomping…”. Spengler berekent de gemiddelde levensverwachting van culturen op één millennium, gevolgd door lethargie en dood. Om de beschaving te beschrijven, introduceerde Spengler het begrip “fellahisering”, d.w.z. “de langzame verwerving van primitieve toestanden onder hoog beschaafde levensomstandigheden”.

Verscheidene culturen hebben reeds een beschavingsfase doorgemaakt, om daarna uit de geschiedenis te verdwijnen (de Egyptische, Babylonische en oude culturen). Spengler onderscheidt de volgende kenmerken van de beschavingsfase: de overheersing van de wetenschap (sciëntisme); atheïsme, materialisme, radicaal revolutionisme; technologische oververzadiging; staatsmacht wordt tirannie; agressieve expansie naar buiten, de strijd om wereldheerschappij. Hij ziet ook als een teken van “beschaving” de vervanging van landelijke nederzettingen door reusachtige steden, de vorming van grote menselijke massa’s in die steden: “In de wereldstad zijn er geen mensen, er is alleen massa”.

Spengler identificeert en analyseert nauwgezet alle tekenen van het verdwijnen van primitieve culturen om een antwoord te geven op de vraag: in welk stadium van zijn ontwikkeling bevindt zich de Europese cultuur? Volgens hem is deze cultuur ontstaan op het kruispunt van het eerste en tweede millennium na de geboorte van Christus. De gemiddelde levensduur van de door hem onderzochte culturen voordat zij het stadium van “ouderdom” (“beschaving”) ingaan, bedraagt ongeveer duizend jaar. Het blijkt dat op basis van deze geschatte termen de Europese cultuur op het punt staat om in beschaving te veranderen.

Blijkbaar geloofde Spengler niet echt (of wilde hij niet geloven) dat de Europese cultuur snel in een fase van verval en dood zou komen. Zelf kwam hij, zoals hij in zijn autobiografische aantekeningen bekent, plotseling tot deze conclusie. Het was een soort openbaring toen hij hoorde van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog: “Vandaag, op de grootste dag in de wereldgeschiedenis die op mijn leven valt en die zo dwingend verbonden is met de gedachte waarvoor ik geboren ben, op 1 augustus 1914, voel ik mij alleen thuis. Niemand denkt zelfs maar aan mij. Het was toen dat hij het idee opvatte om de “neergang van Europa” rationeel te rechtvaardigen.

Veel van Spengler’s critici hebben hem beschuldigd van lenen, zelfs plagiaat. De lijst van voorgangers van wie Spengler zou hebben “geleend” is vrij lang. Meer dan honderd namen worden genoemd, te beginnen met Machiavelli, verder met Hegel, Schelling, de Franse encyclopedisten, en eindigend met Henri Bergson, Theodore Lessing, Houston Stuart Chamberlain, Max Weber, Werner Sombart. Op deze lijsten stonden ook twee Russische denkers: Nikolai Danilevsky en Konstantin Leontiev.

Als antwoord op deze aanvallen verklaarde Spengler dat als hij werkelijk de werken van zo’n brede kring van intelligente, zelfs briljante mensen had bestudeerd, hij geen tijd zou hebben gehad om zijn eigen werken te schrijven. Spengler gaf toe dat hij voorgangers had: Johann Wolfgang Goethe en Friedrich Nietzsche. Beiden zijn Spengler’s idolen. Hier is een uittreksel van Spengler’s notities over Nietzsche: “Hij ontdekte de toon van vreemde culturen. Niemand voor hem had enig idee van het ritme van de geschiedenis …… In het beeld van de geschiedenis, dat later door het wetenschappelijk onderzoek in jaartallen en cijfers is samengevat, ervoer hij eerst een ritmische verandering van tijdperken, van zeden en manieren van denken, van hele rassen en grote individuen, als een soort symfonie … De musicus Nietzsche verheft de kunst van het gevoel tot de stijl en het gevoel van vreemde culturen, ongeacht de bronnen en vaak in tegenspraak daarmee, maar wat een zin!” In Spengler’s autobiografische aantekeningen, gepubliceerd na zijn dood, vinden we zo’n openbaring: “Ik ben altijd een aristocraat geweest. Nietzsche was me al duidelijk voordat ik hem kende.”

Goethe’s invloed op Spengler is niet minder duidelijk. De Europese cultuur waar Spengler zich op richtte noemt hij de Faustiaanse cultuur, of “de cultuur van de wil”, en Faustus is er een symbool van. Voor hem is de desintegrerende Faustiaanse cultuur de Faustiaanse beschaving, en de burger van de Faustiaanse beschaving is een nieuwe nomade, voor wie geld en macht komen vóór heroïsche mythen en vaderland.

In haar memoires schreef de zus van Spengler over de laatste reis van de schrijver van “Het verval van het Westen”: “We hebben hem Faust en Zarathustra als dodengave meegegeven. Hij nam ze altijd mee als hij ergens heen ging.

De ondergang van Europa gisteren en vandaag

Bij de voortzetting van het gesprek over Oswald Spengler’s hoofdwerk is het niet overbodig te spreken over hen die als zijn voorlopers en volgelingen kunnen worden beschouwd.

Ik heb reeds gezegd dat Spengler zelf slechts twee van zijn mentoren heeft genoemd: Goethe en Nietzsche. “Hij had deze manier,” schreef Spengler aan zijn redacteur Oscar Beck, “om meer dan vijftig voorgangers te kennen, waaronder Lamprecht, Dilthey en zelfs Bergson. Hun aantal moet op zijn beurt meer dan honderd zijn geweest. Als ik me had voorgenomen om minstens de helft ervan te lezen, zou ik vandaag …. niet hebben afgemaakt. Goethe en Nietzsche zijn de twee denkers van wie ik me betrouwbaar afhankelijk voel. Wie al twintig jaar “voorgangers” opgraaft, denkt er niet eens aan dat al deze gedachten, en bovendien in een veel vroegere uitgave, al in Goethes proza en brieven zijn vervat, zoals bijvoorbeeld de opeenvolging van de begintijd. tijdperk, de latere tijd en de beschaving in een artikeltje “Geestelijke tijdperken”, en dat het nu in het algemeen onmogelijk is iets te zeggen dat niet al in de postume delen van Nietzsche is vermeld.”

In de lange lijst van hen die Spengler met hun gedachten hebben gevoed, worden ook de Russische denkers Nikolai Jakovlevitsj Danilevski (1822-1885) en Konstantin Nikolajevitsj Leontjev (1831-1891) genoemd. Het is echter bijna onmogelijk om hier van ontleningen te spreken: in het Westen waren deze denkers weinig bekend, weinig vertaald. Zo werd de Duitse vertaling van Danilevsky’s Russia and Europe (1869) pas gepubliceerd in 1920, twee jaar nadat het eerste deel van Der Untergang des Abendlandes was verschenen. Er zijn geen aanwijzingen dat Spengler Danilevsky, Leontiev, en Russische schrijvers in het algemeen heeft gelezen.

En de gelijkenis van sommige ideeën tussen deze drie is opvallend. Voor een Duitser is het sleutelbegrip “cultuur”, voor N. Danilevsky is het “cultureel-historisch type”. Voor een Duitser betekent “cultuur” een “organisme”, d.w.z. een complex sociaal systeem dat bestaat uit een onderling samenhangende ideologie (religie), wetenschap, kunst, economie, recht en staat. Danilevsky zegt bijna hetzelfde in zijn Rusland en Europa. Dezelfde samenstelling, hetzelfde morfologische principe (de vorm bepaalt het soort cultuur). Dezelfde analogie met levende organismen (Danilevsky was bioloog van opleiding).

Spengler’s “cultuur”, Danilevsky’s “cultuur-historisch type”, Toynbee’s “beschaving” zijn identieke begrippen, alleen gebruikte Danilevsky dit begrip enkele tientallen jaren vóór Spengler en Toynbee.

Wat de ideologische verwantschap tussen Konstantin Leontiev en Oswald Spengler betreft, zij erop gewezen dat de Duitse denker een belangrijk deel van zijn werk wijdt aan de beschrijving van de levenscyclus van de cultuur. Voor hem is het uitgangspunt voor de geboorte van een cultuur het wereldbeeld: “Elke nieuwe cultuur ontwaakt met een bepaald nieuw wereldbeeld”. Spengler kan, binnen het kader van het wereldbeeld, zowel religie als het systeem van wetenschappelijke opvattingen begrijpen. Het leven van de cultuur ontwikkelt zich, volgens Spengler, volgens het volgende patroon: “Elke cultuur doorloopt de stadia van de leeftijd van een individu. Elk heeft zijn kindertijd, jeugd, volwassenheid en ouderdom”. In Der Untergang des Abendlandes onderscheidt hij vier stadia in de levenscyclus van de cultuur: 1) de oorsprong (“mythologisch-symbolisch”); 2) het begin (“morfologisch”); 3) het hoogtepunt (“metafysisch en religieus”); 4) de veroudering en de dood (“beschaving”).

Konstantin Leontiev (die het begrip “cultuur-historische typen” overnam van Danilevsky, maar ook de termen “cultuur” en “beschaving” gebruikte) heeft bijna hetzelfde patroon. Leontiev formuleerde de wet van het “trilaterale ontwikkelingsproces”, volgens welke alle sociale organismen (“culturen”), net als natuurlijke organismen, geboren worden, leven en sterven: hij definieerde geboorte als “primaire eenvoud”, leven als “bloeiende complexiteit”, dood als “secundaire vereenvoudiging van vermenging”. Leontiev diagnosticeerde het begin van de overgang van de Europese cultuur van de fase van “bloeiende complexiteit” naar de fase van “vereenvoudiging door secundaire vermenging” in Byzantinisme en de Slavische wereld (1875). In Spengler’s taal, is dit de “ondergang van Europa”. De chronologie van de fasen van de Europese beschaving (cultuur) is vergelijkbaar voor Spengler en Leontiev. Het hoogtepunt van Europa ligt in beide gevallen in de periode van de 15e tot de 18e eeuw, en de overgang naar het stadium van uitsterven begint in de 19e eeuw. Alleen Leontiev formuleerde het idee van een “trilateraal ontwikkelingsproces” (“levenscyclus van de cultuur”) drieënveertig jaar vóór de Duitse filosoof.

In het Westen wordt algemeen aangenomen dat het meest fundamentele werk over de geschiedenis en de theorie van beschavingen het 12-delige baanbrekende werk A Study of History is van Arnold Toynbee (1889-1975). Deze Engelsman gaf toe dat hij Spengler een genie vond, en hij, Toynbee, nam de leer van de Duitser over culturen en beschavingen over en ontwikkelde die (Toynbee breidde Spengler’s lijst uit van 8 grote culturen tot 21, de zogenaamde beschavingen).

De onbetwiste voorrang van twee Russische denkers – Danilevsky en Leontiev – boven Spengler en Toynbee wordt helaas zelden of helemaal niet vermeld.

Geleerden van Spengler’s werk wijzen op de sterke invloed van Der Untergang des Abendlandes op José Ortega y Gasset (1883-1955), de Spaanse filosoof, publicist en socioloog. In zijn grote werken als  De opstand der massa’s (1929) zette een Spanjaard voor het eerst in de westerse filosofie de fundamentele ideeën uiteen over “massacultuur” en “massamaatschappij” (cultuur en maatschappij die zich in het Westen ontwikkelden als gevolg van de crisis van de burgerlijke democratie en het doordringen van het dictaat van het geld in alle sferen van de menselijke relaties). Maar dit idee werd voor het eerst geformuleerd door Spengler, die de tekenen van de dood van de cultuur beschreef in de fasen van de beschaving. Het belangrijkste teken van deze dood is de verstedelijking, de concentratie van mensen in reusachtige steden, waarvan de inwoners volgens Spengler helemaal geen burgers meer zijn, maar een “menselijke massa”, waarin een mens zich deel voelt van een onpersoonlijk collectief, een menigte.

Er was geen tijd om te reageren op het verschijnen van Der Untergang des Abendlandes, en in 1922 verscheen in Petrograd de bundel Oswald Spengler en het verval van Europa (auteurs N. A. Berdiajev, Ya. M. Boukchan, F.A., S . L. Frank). Het interessantste van deze verzameling is het essay van Nikolaj Berdiajev, getiteld Gedachten van Faust op zijn sterfbed ….. Berdiajev dacht aan Oswald Spengler zelf, een bewonderaar van de “Faustiaanse” (Europese) cultuur. De paradox van deze nieuwe Faust is, volgens Berdiajev, dat hij, terwijl hij de tekenen van de apocalyps beschreef, niet begreep dat het om de apocalyps van Johannes ging. Hij (d.w.z. Faust, ook bekend als Spengler) laat zien dat de Europese cultuur, die de fase van “beschaving” ingaat, zal sterven, en dat er een nieuwe cultuur voor in de plaats zal komen, maar die zal niet komen! De tragedie van Spengler-Faust, N. Berdiajev, is dat hij als atheïst niet beseft dat religie de kern is van alle cultuur. De Europese beschaving (volgens Berdiajev) doodt uiteindelijk de godsdienst, en zonder godsdienst is de voortzetting van de aardse geschiedenis onmogelijk. Geleerden die de creativiteit van N. Berdiajev hebben bestudeerd, hebben opgemerkt dat het werk van Spengler een sterke invloed heeft gehad op de Russische filosoof.

De Tweede Wereldoorlog bracht de rampzalige trend die in Het verval van het Westen wordt beschreven, volledig tot uiting. Sindsdien hebben vele filosofen, historici en politicologen een alarmerende psychologische toestand uitgezonden. Dit alarm staat op de omslagen van gepubliceerde boeken: Jane Jacobs, The Decline of America. The Dark Ages Ahead (1962); Thomas Chittam, The Collapse of the United States. The Second Civil War. 2020 (1996); Patrick Buchanan, Death of the West (2001), On the Brink of Death (2006), The Suicide of a Superpower (2011); Andrew Gamble, A Crisis Without End? The Collapse of Western Prosperity (2008), enz.

Een van de auteurs die Spenglers concepten van “Faustiaanse cultuur” en “Faustiaanse beschaving” gebruikte was Igor Ivanovitsj Sikorsky, die als vooraanstaand vliegtuig- (en helikopter-) ontwerper tevens theoloog was. In 1947 werd zijn boek Invisible Encounter gepubliceerd in de Verenigde Staten. Een van de concepten waarmee Sikorsky de toestand van de wereld in de 20e eeuw beschrijft is Spenglers “Faustiaanse beschaving”.

Vertaling: rv

Originele tekst: http://www.elespiadigital.com/index.php/tribuna-libre/34222-2021-05-27-11-56-23   

en http://euro-synergies.hautetfort.com/archive/2021/06/15/le-declin-de-l-europe-annonce-il-y-a-un-siecle.html  



Categorieën:Geen categorie