De oorsprong van het monotheïsme

Thomas Ferrier (2021)

Het idee van één enkele schepper-god is nieuw op de schaal van de menselijke geschiedenis. Het heeft vier verschillende uitdrukkingen gekend: de cultus van Aton, die door de farao Amenhotep IV, bekend als Achnaton, in het leven werd geroepen; het Iraanse Mazdeïsme rond de centrale figuur van de god Ahura Mazda (of Ohrmazd) na de Zoroastrische hervorming, waarbij de andere goden echter niet werden onderdrukt, maar in de vorm van engelen (in oud-Perzisch yazata, in Farsi ized) in een ondergeschikte positie werden geplaatst; Het Abrahamitische monotheïsme in nationale (jodendom) of internationale (christendom, islam) vorm; en tenslotte het heidense monotheïsme, dat is ontstaan als reactie op de opkomst van het voorgaande.

Volgens de beginselen van het Abrahamitische monotheïsme was de mensheid monotheïstisch voordat zij afgleed naar het polytheïsme en pas daaruit tevoorschijn kwam onder leiding van profeten (Mozes, Jezus, Mohammed) die dragers waren van een elementaire waarheid. Volgens historici is polytheïsme echter de eerste godsdienst van de mensheid en kan deze vervolgens evolueren naar henotheïsme (het eren van één enkele god zonder de andere goden te ontkennen) en tenslotte naar monotheïsme (het eren van één enkele god met uitsluiting van alle andere).

Om het specifieke voorbeeld te nemen van de oorsprong van het Judaïsme, waaruit andere monotheïsmen, ditmaal universalistische, zouden worden gesmeed: de oorspronkelijke godsdienst is het Kanaänitische polytheïsme zoals beschreven in de documenten die in Ugarit in Syrië zijn gevonden. Het is een klassiek pantheon georganiseerd met verschillende hoofdgodheden, aan de top waarvan de god El (wat vertaald zou kunnen worden als “God” of “de god El”) geplaatst is, die de belangrijkste hemelgodheid is, maar die een vorst is die ver van de mensen afstaat en die samen met zijn vrouw Elat (vrouwelijk van El) over het universum heerst, ook Asjera genoemd, en die Jahweh’s godin zou worden (“grote koningin van de hemel”) totdat zij in onder de Judeërs in Babylon werd verstoten, nadat zij daar door de Assyriërs was overgeplaatst.

De mensenwereld wordt geregeerd door een andere god, de oudste zoon van El, en wel de god Hadad (“de donderslaggever”) beter bekend onder de bijnaam Baäl, “de heer”. Hij regeert vanaf de berg Saphon, waar zijn troon en paleis zich bevinden. Hij is een heldhaftige god, die vecht tegen de draak Lotan (Leviathan) die tegen hem is gezonden door de god van de oceanen Yam, met de steun van zijn zuster de godin Anat, een maagdelijke krijger die in sommige opzichten aan Athena doet denken, en die de bijnaam Baalit, “de dame”, heeft gekregen. Gewoonlijk is deze godin vereenzelvigd met liefde en de vruchtbaarheid, maar zij kan ook verschijnen als een krijgsgodin, namelijk Ashtoreth (in Babylon Ishtar genoemd en Astarte bij de Grieken). Andere godheden vervolledigen dit pantheon: de zonnegodin Shapash (in Kanaän is de zon vrouwelijk), de maangod Yarih (wiens naam wellicht heeft gediend om die van Yah of Yahu te vormen, een archaïsche variant van de naam Yahweh), de god van de dageraad Shahar (mannelijke dageraad bij de West-Semitische volkeren) en zijn twee zonen Helel (“Lucifer”) en Shelim (“schemering”), de god van oorlog en epidemieën Reshef, de arts-god Eshmun, en de god van het vuur en het smeden Koshar.

Elke Kanaänietische stam ontwikkelde echter een etnarch of poliad god, een meer plaatselijk aspect van de god Baäl die specifiek die stam beschermt. Een soortgelijk verschijnsel vinden we bij de Keltische stammen, die allemaal een “teutates” of “vader van de stam” god hebben. Zo zijn godheden als Jahweh, Milqom en Kemosh, net als de god Asjoer van de Assyriërs of Marduk in Babylon, de etnarch-godheden van verschillende stammen. Het blijkt dus dat de stam die Jahweh vereerde erin slaagde zich aan de andere stammen op te dringen en hun etnarchische godheid aan de anderen op te leggen. Door het gemeenschappelijke Kanaänitische heiligdom in Jeruzalem te heroveren, dat gewijd was aan de god El Elyon, (“El de Allerhoogste”), slaagt de stam van Jahwe erin haar plaatselijke godheid de rol van een soevereine god toe te kennen. Uiteindelijk neemt Jahwe de functies van de andere godheden over, om een smidgod te worden zoals Joschar, een krijgersgod (Sabaoth) en een dondergod zoals Baäl, met wie zijn cultus in rivaliteit zal staan.

Toen de Assyriërs de tempel verwoestten en de elites van de stam van Juda naar Babylon deporteerden, zoals zij met andere verslagen volkeren hadden gedaan, was de cultus van Jahwe niet die van één enkele god, maar die van een schenker van El, verward met El zelf en dus echtgenoot van Elat Asjera. Het proces van ontworteling zal dit henotheïsme doen evolueren tot monotheïsme, want deze nederlaag wordt niet beschouwd als de overwinning van de ene god op de andere, maar als een goddelijke straf die Jahweh aan zijn volk oplegt als vergelding voor hun omgang met andere godheden. Monotheïsme ten gunste van een jaloerse god impliceert in eerste instantie de verwerping van andere godheden en op den duur de ontkenning van hun bestaan zelf. Na dit trauma wordt dus het monotheïsme werkelijk geboren en later, na de terugkeer van deze elites naar Juda na de bevrijdingsmaatregel van de Perzische koning Kores, opgelegd aan de daar achtergebleven bevolkingen.

Het monotheïsme werd niet geboren uit de overwinning op vijanden, maar uit een nederlaag en een schuldig geweten. Daarin ligt zijn vreemde mysterie, dat Nietzsche doet zeggen dat het een “omkering van alle waarden” is. “

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst:  http://thomasferrier.hautetfort.com en http://euro-synergies.hautetfort.com/archive/2021/06/11/les-origines-du-monotheisme-6321373.html



Categorieën:Mythologie

Tags: , , , ,