Alain de Benoist: liberalisme tegen de volkeren

Toespraak van Alain de Benoist, gehouden op het 8ste jaarlijkse colloquium van Institut Iliade, op zaterdag 29 mei 2021.

“Liberalisme tegen de volkeren”. Deze uitdrukking kan op twee verschillende manieren worden opgevat. Aan de ene kant is er de liberale theorie, de liberale ideologie, waarvan een van de kenmerken is dat zij het bestaan van volkeren ontkent. Aan de andere kant is er de praktijk. Het wordt uitgeoefend via een systeem, het kapitalistische systeem, dat mijns inziens niet los kan worden gezien van het liberalisme als doctrine of ideologie, omdat het kan worden omschreven als een algemeen instrument voor de ordening van de wereld, dat ertoe strekt het primaat van de marktwaarde boven alle andere waarden te stellen, hetgeen precies de veralgemening inhoudt van het liberale antropologische model, namelijk dat van de “economische mens”, van de homo œconomicus. Daarom is praten over liberalisme zonder rekening te houden met kapitalisme hetzelfde als spreken in het ijle.

Waarom ontkent de liberale theorie het bestaan van volkeren? Omdat het gebaseerd is op een antropologische basis die zowel “economistisch” als individualistisch is. Historisch gezien komt de liberale moderniteit overeen met het moment waarop de maatschappij niet langer als primair wordt beschouwd, maar waarop het individu wordt beschouwd als voorganger van het sociale geheel, dat dan niet meer is dan een simpele optelsom van individuele wilsuitingen. Op abstracte wijze beschouwd als een wezen dat fundamenteel onafhankelijk is van zijn medemensen, dat volledig eigenaar is van zichzelf, dat niet gebonden is aan gemmenschap boven zichzelf, wordt de mens tegelijkertijd geherdefinieerd als een agent die permanent streeft naar het maximaliseren van zijn eigen belang, en aldus het gedrag aanneemt van de handelaar op de markt. Deze ongekende wending is het werk van het liberalisme, waarvan de opkomst samenvalt met de opkomst van de bourgeoisie in de westerse samenlevingen.

In wezen denkt het liberalisme over de wereld in termen van het individu. Voor liberale denkers moet de mens, verre van als zodanig te zijn geconstitueerd door zijn banden met anderen, worden beschouwd als een individu dat vrij is van elke constitutieve binding, d.w.z. buiten elke culturele of sociaal-historische context.  Vrijheid, voorgesteld als een onvervreemdbaar recht, wordt gereduceerd tot individuele vrijheid, die zelf wordt opgevat als vrijheid van alles wat het individu overstijgt. Evenzo is men van mening dat soevereiniteit niet verder mag reiken dan het individu of boven hem moet worden uitgeoefend, hetgeen het begrip nationale soevereiniteit of volkssoevereiniteit delegitimeert. De algemene gedachte is dat de mens in de eerste plaats is wat hij uit vrije wil heeft gekozen te zijn, dat hij volledig meester is over zijn keuzes en dat hij vrij moet worden gelaten om zichzelf op te bouwen, niet uit iets dat er al is, maar uit niets. Dit idee leidt uiteraard tot onverschilligheid tegenover verschillende opvattingen van het goede. Zoals Pierre Manent terecht opmerkt, is liberalisme in de eerste plaats het afzien van het denken over het menselijk leven op grond van zijn goed of zijn doel. Het resultaat is de verdwijning van elk idee van het algemeen welzijn.

Vanuit dit gezichtspunt zijn volkeren louter aggregaten van individuen, hetgeen betekent dat zij als volk geen eigen kenmerken hebben, waardoor zij zich van andere volkeren kunnen onderscheiden. Hetzelfde geldt voor gemeenschappen, naties en culturen. “Frankrijk is gewoon een aggregaat van mensen,” zegt de liberale econoom Bertrand Lemennicier. “Er is geen samenleving,” verklaarde Margaret Thatcher. De maatschappij is in feite niet meer dan het toevallige product van de individuele wil, een eenvoudige vergadering van individuen die allen hun eigen belangen trachten te verdedigen en te bevredigen. Een dergelijke samenleving hoeft niet langer te worden bestuurd, maar moet worden beheerd als een hulpje van de markt. Dit staat niet ver af van de oude St. Simoniaanse droom om het bestuur van de mensen te vervangen door het bestuur van de zaken.

Vanuit dit gezichtspunt staat het liberalisme lijnrecht tegenover de bevestiging van collectieve identiteiten. Een collectieve identiteit kan niet op een reductionistische manier worden geanalyseerd, als de simpele som van de kenmerken van de individuen die binnen een bepaalde gemeenschap bijeen zijn. Het vereist dat de leden van deze gemeenschap zich er duidelijk van bewust zijn dat hun lidmaatschap hun individueel wezen omvat of overstijgt, d.w.z. dat hun gemeenschappelijke identiteit voortvloeit uit een compositorisch effect. Het impliceert ook de erkenning dat er binnen een bepaalde reeks opkomende eigenschappen zijn die verschillend zijn van de kenmerken van de afzonderlijke individuen waaruit zij bestaat. Het liberalisme ontkent het bestaan van deze opkomende eigenschappen, die maken dat een bos meer is dan de som van de bomen, een volk meer dan de som van de individuen.

Laten we nu eens kijken naar het kapitalisme. Laat ons eerst zeggen dat de grootste fout die we zouden kunnen maken zou zijn om het alleen als een economisch systeem te zien. Het kapitalisme is niet in de eerste plaats een economisch systeem, maar een “totaal sociaal feit” (Marcel Mauss), waaruit de gefetisjiseerde vorm voortkomt die de sociale verhoudingen in liberale samenlevingen aannemen. Het is derhalve zinloos te proberen de waarde ervan te beoordelen in termen van werkelijke of veronderstelde “efficiëntie”. Het kapitalistische systeem is ontegenzeggelijk efficiënter in het produceren van goederen, maar efficiëntie is geen doel op zich. Het kwalificeert alleen de middelen die worden gebruikt om een doel te bereiken, zonder ons iets te zeggen over de waarde van dit doel. Grondstoffen brengen geld op, dat het mogelijk maakt meer grondstoffen te produceren, die het mogelijk maken meer poen te scheppen. De aldus gegenereerde meerwaarde maakt de omzetting van geld in kapitaal mogelijk, en de overaccumulatie van kapitaal maakt het mogelijk dat het geld uit zichzelf eeuwig blijft toenemen. Maar kapitaal is in de eerste plaats een sociale relatie, die vorm geeft aan een specifiek denkbeeld en manieren impliceert om te leven, maar ook om de wereld op te vatten.

De essentie van het kapitalisme is onbegrensdheid, “altijd meer”, de ontkenning van grenzen en begrenzingen, de ontkenning van maat, en in de eerste plaats van de menselijke maat. Haar fundamentele kenmerk is haar gerichtheid op eindeloze accumulatie in de dubbele betekenis van het woord: een proces dat nooit ophoudt en geen ander doel heeft dan de valorisatie van het kapitaal. Het is deze grenzeloosheid van doel en praktijk die van het kapitalisme een systeem maakt dat gebaseerd is op overmoed (hybris), de ontkenning van alle grenzen.

De afschaffing van de grenzen is noodzakelijk voor de vrije handel en het beginsel van laissez faire, laissez passer. Liberaal kapitalisme vereist dat alles wat commerciële uitwisseling kan belemmeren geleidelijk wordt uitgeroeid. Zij eist het vrije verkeer van personen, goederen en kapitaal. Dit is een van de redenen waarom zij niets tegen immigratie heeft in te brengen; de andere reden is dat zij de vestiging van gebieden alleen in termen van individuen opvat: een miljoen niet-Europeanen die zich in Europa komen vestigen, zijn gewoon een miljoen individuen die zich bij miljoenen anderen voegen. Daaraan wordt het beginsel van de individuele vrijheid toegevoegd, het enige beginsel dat door de liberale theoretici wordt erkend: ieder moet het recht krijgen zich vrij te bewegen (met dien verstande, zoals Hayek zegt, dat de economische vrijheid voorrang heeft op de politieke vrijheid). Immigratie”, schreef een liberale website onlangs, “blijft een uiting van individuele vrijheid die moet worden gewaarborgd” (Contrepoints, 23 april 2020)!

In dit hele systeem neemt geld uiteraard een centrale plaats in. In zijn Kapital schrijft Marx terecht dat “geld het goed is dat absolute vervreemding als karakter heeft, omdat het het product is van de universele vervreemding van alle andere goederen”. Hij voegt eraan toe dat “de beweging van het kapitaal eindpunt noch maat heeft, daar de valorisatie van de waarde slechts bestaat door de circulatie van geld dat als kapitaal wordt beschouwd”. Georg Simmel van zijn kant heeft duidelijk aangetoond dat de intrinsieke aard van de op geld gebaseerde economie erin bestaat het vraagstuk van het doel terzijde te schuiven ten gunste van dat van de middelen. Als universeel equivalent maakt geld het mogelijk alles te evalueren, alles te kwantificeren met één enkele maatstaf, waarbij waarde systematisch wordt herleid tot prijs. Door een perspectief te scheppen van waaruit de meest verschillende dingen door een getal kunnen worden beoordeeld, maakt geld ze in zekere zin gelijk: het brengt alle kwaliteiten die hen onderscheiden terug tot een eenvoudige logica van plus en min. Welnu, elke hoeveelheid, wat het ook is, kan altijd met één eenheid worden vergroot. Aan elk getal kan altijd een cijfer worden toegevoegd, zodat het betere automatisch opgaat in het meer. En waar je altijd meer van kunt hebben, kun je nooit genoeg van hebben…

De liberale samenleving is dus zowel een samenleving van individuen als een marktmaatschappij, waar de economische rede alle sociale verhoudingen ondergeschikt maakt, en waar zij de plaats inneemt van de veralgemeende concurrentie, van de oorlog van allen tegen allen, waar iedereen zijn eigen belang wil maximaliseren ten koste van dat van anderen. De heerschappij van het kapitalisme leidt uiteindelijk tot een einde van de zingeving die in de geschiedenis praktisch geen precedent kent. Het einde van de zingeving, waarvan wij thans de gevolgen zien, draagt in sterke mate bij tot de opkomst van het nihilisme. Concluderend zou ik zeggen dat het herstel van het gemeenschappelijke en het gemeenschappelijke goed het programma is dat vandaag aan alle anti-liberalen wordt aangeboden, als wij uit een wereld willen stappen waarin niets meer waarde heeft, maar alles een prijs heeft.

Precies honderdvijftig jaar geleden, werden in Parijs de laatste gevechten van de Commune van 1871 geleverd. De laatste barricades neergehaald, de laatste opstandelingen afgeslacht, het begin van een gruwelijke repressie die duizenden zal doden. De Commune van Parijs, communardistisch, communistisch, federalistisch, bracht twee aspiraties samen die nooit gescheiden mochten worden : de zaak van het volk en de dienst aan het vaderland. Het was zowel een patriottische beweging tegen de veroverende buitenlander als een socialistische en proletarische beweging tegen de kapitalistische bourgeoisie, en daarom wil ik de nagedachtenis ervan eren en er hulde aan brengen.

Zoals Alexandre Marc zei, “wanneer de orde niet meer in orde is, is zij in revolutie”.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: https://institut-iliade.com/le-liberalisme-contre-les-peuples/

Leestip: https://www.uitgeverijegmont.be/products/tegen-het-liberalisme-de-samenleving-is-geen-markt?_pos=2&_sid=69a03b61b&_ss=r



Categorieën:Metapolitiek

Tags: , , , , , , ,