Werner Sombart en het ontstaan van de kapitalistische geest

De vorming van de kapitalistische geest in Werner Sombart.

Théo Delestrade (2021)

Om de economie te begrijpen is een multidisciplinaire aanpak nodig, gebaseerd op geschiedenis en sociologie. Dit is wat Werner Sombart (1863-1941) voorstelt.

Werner Sombart is, samen met zijn promotor Gustav von Schmoller, een van de leiders van de Duitse historische school. Tegenover de klassieke economie stelde hij een multidisciplinaire benadering van de economie, via een sociologische en historische analyse.

In zijn boek van 1913, Der Bourgeois, trachtte Sombart aan te tonen dat het kapitalisme het resultaat was van een nieuwe geest en niet, zoals de liberale economische theorie beweerde, van een natuurlijke en universele neiging van individuen om alleen hun eigenbelang na te streven binnen een zelfregulerende markt. Sombart begrijpt dat de homo oeconomicus niet altijd heeft bestaan, en hij tracht zijn ontstaan en opkomst te beschrijven.

Marx en Sombart: historisch materialisme versus “historisch idealisme”

Sombart, die gedurende het grootste deel van zijn academische loopbaan als marxian werd beschouwd, wilde het werk van Marx uitbreiden en overtreffen. Engels zei zelfs van hem dat hij de enige Duitse econoom was die het Kapitaal van Marx begreep.

Een opmerkelijk verschil tussen de twee economen betreft echter de kwestie van materialisme en idealisme. Voor Marx, die materialist is, worden de sociale feiten en ideeën van een tijdperk bepaald door de infrastructuur, die de productieverhoudingen en -voorwaarden omvat. Voor hem is het de infrastructuur, de Bau, die de bovenbouw, Überbau, genereert, die de staat, de individuele en collectieve ideeën en voorstellingen, en het zelfbewustzijn omvat. Sombart, een idealist, probeert daarentegen aan te tonen dat in werkelijkheid de invloed van de infrastructuur weliswaar niet betwistbaar is, maar dat veeleer het omgekeerde het geval is: het is de bovenbouw die de infrastructuur daadwerkelijk beïnvloedt. Hij stelt dus tegenover het historisch materialisme van Marx een “historisch idealisme”, als men die uitdrukking mag gebruiken. Sombart is als een socioloog die de wereld van de geest, van het denken bestudeert. Hij rechtvaardigt zijn idealisme als volgt: “Aangezien organisaties een mensenwerk zijn, moeten de mens en de menselijke geest er noodzakelijkerwijs aan voorafgaan” (De Bourgeois, Kontre Kulture, 2020, p. 497).

Sombart neemt het begrip “geest”, Geist, dat centraal staat in Hegels Fenomenologie van de Geest, en past het aan om de economische geest te definiëren, die alle vermogens en psychische activiteiten vertegenwoordigt die bij het economische leven betrokken zijn. Het economisch verstand gaat verder dan louter morele normen en ethiek, aangezien het onder meer intelligentie, diverse karaktereigenschappen en waardeoordelen omvat. Deze geestelijke factoren zijn doorslaggevend voor de verklaring van de concrete sociale realiteiten die op een historisch moment aanwezig zijn: het is dus, volgens hem, de geest die het economisch leven voortbrengt.

Sombart is dan geïnteresseerd in het overwicht van bepaalde geestelijke factoren die de verdienste hebben de onderliggende tendensen en de dynamiek van een economisch tijdperk aan het licht te brengen.

Hoe is de kapitalistische geest ontstaan?

Sombart onderscheidt twee types geest : de ondernemersgeest en de burgerlijke geest, die beide samenkomen in de kapitalistische geest. Het substraat waarop het kapitalisme zich ontwikkelt is dus de ondernemingsgeest in ruime zin (de militaire expeditie is daarvan de typische belichaming), die lange tijd niet op gewin was gericht. Het kapitalisme ontstond uit de combinatie van deze ondernemersgeest met de bourgeoisgeest, die de aard van het kapitalisme ingrijpend veranderde door voorzichtigheid, berekening, rede…

In deze context is de bourgeoisie, meer dan een eenvoudige klasse, bovenal de vertegenwoordiger van een specifieke mentaliteit. Gide, die het woord van Flaubert in zijn Dagboek (1937) overneemt – “Ik noem een bourgeois iedereen die onedele gedachten heeft” – is zich hiervan terdege bewust wanneer hij indringend schrijft: “Ik herken de bourgeois niet aan zijn kostuum en zijn sociaal niveau, maar aan zijn gedachten. De bourgeois haat het gratuite, het belangeloze. Hij haat alles wat hij niet kan begrijpen.”

Van de “oude-stijl”-bourgeois naar de moderne economische man

Sombart formuleert een originele stelling in die zin dat hij het ontstaan van het kapitalisme terugvoert tot de koopmansrepublieken van Noord-Italië tijdens de Trecento, en meer in het bijzonder tot Firenze. De verhandeling Del governo della famiglia (1441) van Leone Battista Alberti, een van de grote polymathische humanisten van het Quattrocento, toont reeds het volledige type van de bourgeois, met elementen die men later zou terugvinden bij Defoe of Benjamin Franklin.

Alberti prijst de “sancta cosa la masserizia“, de “heilige geest van de orde”, die verwijst naar de goede interne organisatie van de economie, die vooral tot stand komt door de rationalisatie van het economisch gedrag en de geest van het sparen. Het toenemende belang van de spaarzin in de loop van de ontwikkeling van het kapitalisme wijst op de overgang van een op uitgaven gebaseerde economie naar een op inkomsten gebaseerde economie.

Sombart toont aan dat Florence de bakermat was van de commerciële rekenen met Leonardo Pisano’s Liber Abbaci in 1202, waarin de beginselen van correct rekenen werden vastgelegd en dat leidde tot een toenemende mathematisering van de wereld. In totaal waren er in de 14e eeuw zes rekenscholen in Florence. Deze reductie van alles tot kwantiteit, d.w.z. tot substantie, het ruwste aspect van het bestaan, wordt briljant geanalyseerd door René Guénon in Le Règne de la Quantité et les Signes des Temps (1945). Het brengt Castoriadis er ook toe te zeggen: “Wat vanaf nu telt, is wat geteld kan worden. “

Een interessant punt in de methode van Sombart is dat hij in zijn analyses het onderscheid maakt tussen volkeren en samenlevingen: de kapitalistische geest in intensiteit verschilt naar gelang van het volk, de tijd, en zelfs naar gelang van de overheersing van dit of dat karakter in de verschillende gemeenschappen of sociale klassen. Sombart voert dus een diepgaande analyse uit van de variaties, verschijningen van de kapitalistische geest tussen landen, in tegenstelling tot Marx, die in materiële factoren krachten ziet die in een unieke en vooraf bepaalde richting werken (deze zin van de geschiedenis die het kapitalisme tot een “noodzakelijk” kwaad maakt) en zonder onderscheid van samenlevingen of volkeren (internationalisme).

Zo stelt Sombart een verschuiving vast in de geest van de bourgeoisie in de loop der tijden van wat hij noemt de bourgeois van de “oude stempel” (van het begin van het kapitalisme in de 18e eeuw) naar de moderne economische mens, de homo economicus.

Wat nieuw is in de moderne, economische mens is zijn fascinatie voor het onbeperkte. Het is geen toeval dat Spengler in Untergang des Abendlandes (1918) aan het Westen een hartstochtelijke, “Faustiaanse” neiging tot het oneindige toekent. De moderne economische mens streeft ernaar zoveel mogelijk te verdienen, zijn bedrijf zoveel mogelijk te laten bloeien, met geen andere logica dan het gewin zelf. Het is een eindeloze logica: zowel grenzeloos als zonder einde in zicht. Wat de moderne mens fundamenteel onderscheidt van de traditionele mens, is dat hij niet langer de maat van alle dingen is. De psychische trekken van de moderne economische mens worden bepaald door een absolute rationalisatie die alle terreinen van het leven doordringt en een verkondiging van de superioriteit van het gewin boven alle andere waarden.

In feite zijn een aantal burgerlijke deugden die eigen zijn aan de bourgeoisie van het oude type (vlijt, spaarzaamheid, eerbaarheid) in de moderne economische mens geobjectiveerd en immateriële beginselen van economisch gedrag geworden.

De economische activiteit verandert van aard: zij was empirisch (economie van vraag en gebruik), zij wordt rationeel (economie van aanbod en uitwisseling).

De neiging tot kapitalisme

Sombart besloot verder te gaan dan de analyse van individuen en hun bekwaamheden door te kijken naar grote menselijke groepen, de historische volkeren. Hij merkt op dat bepaalde volkeren een bijzondere aanleg voor het kapitalisme lijken te hebben. Twee groepen van volkeren hebben dus een verschillende aanleg voor het kapitalisme. Enerzijds vertonen de heldhaftige volkeren een bijzondere aanleg voor gewelddadige ondernemingen van grote allure (roverij, piraterij…).

De Romeinen, bijvoorbeeld, geloofden dat economisch succes alleen door de punt van het zwaard kon worden bereikt. De koopmansvolkeren daarentegen waren vreedzame handelaars en hadden een uitgesproken hang naar het burgerlijke leven. Sombart neemt het voorbeeld van de Schotten, de Florentijnen en de Joden, wier aard tot drie volkeren herleid kan worden, de Friezen, de Etrusken en de Joden.

Het bepalen van invloeden van filosofie en religie

In de filosofie waren de belangrijkste invloeden op de kapitalistische geest de empiristisch-naturalistische filosofen (Francis Bacon, George Berkeley, David Hume…) en de utilitaristische filosofen (Jeremy Bentham, John Stuart Mill…).

Een belangrijke invloed op de ontwikkeling van de kapitalistische geest komt ook van het lezen van oude auteurs, waar we een idee aantreffen van de rationalisatie van het hele leven, in al zijn verschijningsvormen. In feite zien we een reductie van het stoïcijnse denken bij de Quattrocianen, die er “een zuiver utilitaire betekenis aan geven, waarbij zij met name leren dat het hoogste levensgeluk bestaat in een rationele, finalistische organisatie van het leven” (Le Bourgeois, Kontre Kulture, p. 320). Deze herleving van het Stoïcijnse systeem is onder meer geïnspireerd door aforismen die te vinden zijn in het denken van Marcus Aurelius: “Het is met het oog op het nut dat de natuur voortgaat zoals zij voortgaat” (Aan mijzelf, IV).

Wat de invloed van de godsdienst betreft, deze is volgens Sombart van primordiaal belang voor de vorming van de sociaal-culturele infrastructuur en de kapitalistische geest: zij is zowel economisch van aard als biologisch en etnologisch. Sombart bestudeerde de invloed van de joodse religie, Max Weber die van het protestantisme.

Wat het katholicisme betreft, dit kan, afhankelijk van tijd en plaats, dubbelzinnige gevolgen hebben gehad voor de ontwikkeling van de kapitalistische geest. Sombart stelt allereerst vast dat het gehele maatschappelijke leven ondergeschikt was aan de voorschriften van de Kerk, vooral in de begintijd van het kapitalisme, en dat de Kerk gedurende de gehele ontwikkeling van de kapitalistische geest in Europa een aanzienlijke invloed heeft uitgeoefend.

Het is meer in het bijzonder in het werk van St. Thomas van Aquino dat de kapitalistische geest zijn aanknopingspunten zal vinden. Het Thomisme, dat vanaf de 14e eeuw het officiële katholicisme beheerste, verdrong het dualisme van wet en evangelie door de godsdienst van genade en liefde van Paulus en Augustinus te combineren met de godsdienst van de wet. Er is ook een rationalisering van het leven: voor St. Thomas bestaat deugdzaam zijn in het in acht nemen van het door de rede voorgeschreven evenwicht. De impulsieve man zal geleidelijk verdwijnen om plaats te maken voor een type man met een specifiek rationele psyche. De christelijke moraal veroordeelt ledigheid, otiositas, ten gunste van niet-inactiviteit, neg-otium. De leer van de Kerk leert ons dat de ledige mens een zonde begaat door tijd te verspillen, die hem zo dierbaar is. Dit hele rationaliseringsproces leidt tot de toepassing op het economische leven van de regels die de godsdienst voorstelt voor het leven in het algemeen.

Verankerd in hun tijd delen de moralisten de opvatting van de bourgeoisie van de oude stempel, die de wedloop naar rijkdom afwijst die geen grenzen of scrupules zou kennen. In die zin moeten zij worden onderscheiden van de moderne economische mens zoals die zich na de 18e eeuw zal ontwikkelen. St. Thomas stelt een “statische”, pre-kapitalistische opvatting voor, waarin ieder mens een bepaalde plaats inneemt die hij zijn leven lang moet behouden. Elke evolutie moet zuiver innerlijk zijn, en alleen betrekking hebben op de relatie van de mens met God.

Dankzij het staatsoptreden kan de kapitalistische geest gestalte krijgen in een concrete sociale realiteit

Een andere belangrijke invloed op de vorming van de kapitalistische geest door de geschiedenis heen is die van de staat.

Door zijn economisch beleid heeft de staat kunnen deelnemen aan de ontwikkeling van de kapitalistische geest. Zo was de mercantilistische politiek voordelig voor de kapitalistische belangen in de periode van het ontluikende kapitalisme. In Engeland waren het de koning of de koningin die, met de nodige middelen waarover zij beschikten, zorgden voor de werking van een groot aantal ondernemingen in de 16e en 17e eeuw. De Staat kan optreden door middel van negatieve privileges (monopolies op productie of handel) of positieve (bescherming of aanmoediging van politieke of commerciële initiatieven). Dit alles bracht Hendrik II ertoe om in een brief van 13 juni 1558 te verklaren dat zijn “privileges en voordelen” bedoeld waren om “deugdzame en ijverige” industriëlen aan te moedigen om winstgevende ondernemingen op te zetten.

In de 19e eeuw werd de ondernemingsgeest nieuw leven ingeblazen door de vernietiging van het mercantilistische en corporatieve systeem ten gunste van de nieuwe economische wet, die bekend staat als “industriële vrijheid”.

Door zijn organisatie, bestuur en hiërarchie van ambtenaren vertegenwoordigde de staat een van de belangrijkste vormen van ondernemerschap. Dit kwam vooral tot uiting in zijn militaire organisatie, zijn financiële administratie en zijn godsdienstig beleid door de oprichting van een officiële kerk.

Buiten deze invloeden van buitenaf is de burgerlijke geest er op de een of andere manier in geslaagd om autonoom te worden na een kruistocht tegen het adellijke leven te hebben geleid. Sombart ziet in deze omkering van aristocratische waarden een werkelijk ressentiment, in de zin zoals Nietzsche het begrijpt, dat de bourgeois ertoe brengt de zaken te verheerlijken omwille van de zaken.

Daarbij komt nog de vernietiging van het godsdienstig gevoel: de ondernemer heeft geen plichtsgevoel meer nodig om in “zaken” het enige belang van zijn leven te vinden. De kapitalistische geest is thans bevrijd van alle ketenen die haar vroeger hinderden : “Elke kapitalistische economie moet, wil zij bloeien, verder gaan dan haar behoeften. In deze gedwongen oriëntatie van de kapitalistische activiteit schuilt de psychologische mogelijkheid van het streven naar oneindigheid, dat op zijn beurt alleen bevredigd kan worden door de ontwikkeling van de moderne technologie, die de natuurlijke maat negeert” (Le Bourgeois, Kontre Kulture, p. 503).

Wijs en redelijk?

Natuurlijk is Sombart geïnteresseerd in een veelheid van andere factoren (ontdekkingen van edele metalen, migraties, stichtingen van kolonies…) die het ontstaan van de kapitalistische geest kunnen hebben veroorzaakt. Omwille van de beknoptheid zijn wij niet in staat geweest ze hier te behandelen.

Tenslotte leidt al deze evolutie van de mens naar de burgerlijke geest ertoe dat hij zich van het leven afkeert om de voorkeur te geven aan een laag materialistisch en bekrompen schijnwereld.

Dit is precies wat Patrice Catherine verwijt in Robert Brasillach’s Sept couleurs (Brief #11):

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: Mot clef “Werner Sombart” | Institut Iliade (institut-iliade.com)

Boekaanbeveling: Werner Sombart, De bourgeois (1913), Kontre Kulture, 2020, 532 p., €23,50



Categorieën:Metapolitiek

Tags: , , , ,