Huldeschrift voor Guillaume Faye

Andrew Joyce (2021)

Guillaume Faye’s postuum gepubliceerde Ethnic Apocalypse, oorspronkelijk in het Frans verschenen met de titel Guerre civile raciale, was een de beste lezingen die in in 2019 bijwoonde. Het was dus met grote belangstelling dat ik ontdekte dat Arktos een aantal bijdragen over Faye en zijn werk uitgaf. Faye  verloor in maart 2019 de strijd tegen longkanker, en ik herinner me dat ik tijdens het lezen van Ethnic Apocalypse dacht dat de auteur ervan wel eens een van die figuren kon worden die pas na hun dood naar waarde geschat worden. Anders dan korte samenvattingen van Archeofuturism: European Visions of the Post-catastrophic Age (1999), was mijn voornaamste kennismaking met Faye vóór het lezen van Ethnic Apocalypse een opname van de AmRen-conferentie van 2006.

Mijn nieuwsgierigheid was voldoende geprikkeld om vertalingen van zijn essays op te zoeken, vooral die over technologie, beschaving, en het systeem waarin we nu leven. Deze waren leerzaam en onderhoudend. Ik bleef echter nieuwsgierig naar de man achter de essays, en daarom verwelkomde ik dit nieuwe literaire gedenkteken van Arktos, dat een verhelderende, ontroerende en onverwacht tragische gids is voor Faye en zijn zeer aanzienlijke oeuvre.

De bundel opent met een kort en elegant voorwoord van Jared Taylor, die dezelfde taak vervulde voor Ethnic Apocalypse. Taylor, die ook relatief laat met Faye in aanraking kwam maar rond 2003 zeer goed bevriend met hem blijkt te zijn geraakt, wijst er terecht op dat “een intellectuele geschiedenis van Guillaume Faye niets minder is dan een intellectuele geschiedenis van zowel Nieuw Rechts als van het veel moediger Dissidente Rechts”. Van daaruit gaat de tekst over naar een reeks essays die gedomineerd worden door vier bijdragen van Robert Steuckers, die Faye gekend heeft van bij het begin van diens carrière in de beweging, en die een biografie van zijn ideeën en activisme aan de lezer voorstelt.

Deze essays van Steuckers zijn zeer opmerkelijk, en zijn indrukwekkend, niet alleen in hun behandeling van de context en de oorsprong van Faye’s ideeën, maar ook in de manier waarop de persoonlijkheid van Faye steeds op de voorgrond wordt geplaatst.

In zijn eerste essay, “Faye’s bijdrage aan ‘Nieuw Rechts’ vervoegen we Steuckers in het begin van de jaren zeventig, net toen Faye politiek actief begon te worden. Faye was toen begin 20 en “betrad het toneel vrijwel alleen, ergens tussen het vertrek van de aanhangers van mei 1968 en de komst van de Reagan-‘yuppies'”. Zijn eerste betrokkenheid was bij de ‘Vilfredo Pareto Cirkel’, een politieke studiegroep die losjes verbonden was met, maar later opgeslorpt werd door, G.R.E.C.E. (Groupement de recherche et d’études pour la civilisation européenne, een denktank die de ideeën van Nieuw Rechts promoot). Faye “behoorde tot geen enkele tak van conventioneel Frans rechts”, noch had hij banden “met Vichy- of collaborateurskringen, noch met die van de OAS [Organisation armée secrète, een paramilitaire organisatie die tijdens de Algerijnse oorlog was opgericht] of de ‘katholiek-traditionalistische’ beweging”. Aanvankelijk was Faye geen nationalist in onze opvatting van de term, maar eerder een “leerling van Julien Freund, Carl Schmitt, Francois Perroux enz.” Steuckers beschrijft Faye, de intense jonge politieke filosoof, als emblematisch voor een ‘soeverein rechts’ dat “op alle gebeurtenissen een soeverein en afstandelijk oog wierp, dat echter niet gespeend was van vurigheid en ‘plastische’ wil, om op de een of andere manier het kaf van het koren te scheiden, het politieke van het onpolitieke.”

Volgens Steuckers “was Faye werkelijk de drijvende kracht achter G.R.E.C.E., de belangrijkste organisatie van Nieuw Rechts in Frankrijk in het begin van de jaren tachtig”. Hij bereikte deze status door keihard te werken aan een laag loon, gedreven door passie en de wens om ‘oud-rechts’ uit zijn comfortzone te halen. Faye werd al snel op een zijspoor gezet door de comfortabele figuren in de hiërarchie, maar “hij heeft zich nooit veel aangetrokken van al die intriges achter de schermen; wat voor hem van belang was, was dat er teksten werden gepubliceerd, en boeken en brochures werden verspreid onder het publiek.” Tegen het einde van de jaren 1970 wordt Faye’s charisma en intelligentie toegeschreven aan het in contact brengen van G.R.E.C.E. met invloedrijke nieuwe kringen, evenals met studenten die “zijn innovatieve ideeën en de essentiële begrippen aanvaardden.”

Een van Faye’s belangrijkste bijdragen aan de G.R.E.C.E. was zijn redacteurschap van het tijdschrift Éléments, waarin hij veel ideeën verfijnde die kenmerkend zouden worden voor zijn latere werk: zijn kritiek op de Verlichting, zijn kritiek op de westerse beschaving als iets dat zich heeft ontwikkeld tot een “systeem dat volkeren doodt”, zijn concept van “etnocmasochisme”, en zijn visie op technologische vooruitgang als iets dat door nationalisme kan worden aangewend in plaats van als iets dat moet worden gemeden of afgewend. (Faye gaat in dit opzicht in tegen meer populaire anti-technologische standpunten van Heidegger, Ellul, en Kaczynski). Steuckers gaat zelfs zover op te merken dat “de verheerlijking van de technologie en een afwijzing van archaïserende nostalgie werkelijk de belangrijkste kenmerken zijn van het nieuw-rechtse denken, d.w.z. van het nieuw-rechtse denken van Faye”.

Hoe correct Faye’s inschattingen op dit vlak waren valt nog te bezien, maar het is duidelijk dat in dit tijdperk van toenemende bewakingstechnologieën en de mechanisering van bijna alle aspecten van het leven, de kwestie van de technologie alleen maar prominenter zal worden. Hoewel mijn eigen instincten neigen naar anti-technologie, is het moeilijk te begrijpen hoe een natie of etnische groep zich kan onttrekken aan technologische vooruitgang als dit betekent dat zij een voordeel moet afstaan aan andere groepen die de technologie omarmen. We kunnen dus opgesloten raken in een technologische wapenwedloop waarin onze enige optie is te proberen alle rivalen te overtreffen in een streven naar wat Faye “Archeofuturisme” noemde.

In zoveel opzichten was Faye zijn tijd ver vooruit – een feit dat naar voren komt in het tweede essay van de bundel, “Vaarwel, Guillaume Faye, na vierenveertig jaar gezamenlijke strijd”. In een tijd waarin de jongste generatie lijkt te geloven dat ze de shock humor tactieken in de politiek min of meer heeft uitgevonden, krijgen we enig inzicht uit dit essay over Faye’s bizarre omweg naar “Skyman”, een personage dat hij voor de zender Skyrock speelde.

Faye keerde terug naar het politieke activisme in 1997 in een interview voor het toen nieuwe tijdschrift Réfléchir & Agir. In het interview adviseerde Faye een intensivering van de verenigingsacties tegen “anti-Europees racisme”, en in een later interview beschuldigde hij Frans rechts er scherp van dat het zich te veel bezighoudt met onderlinge strijd in plaats van met het aanwijzen van een gemeenschappelijke vijand.

Frans nationaal rechts wordt ondermijnd door de cultuur van nederlagen, bekrompen bazen, roddel: de verschillende groepen moslims en linksen kunnen elkaar verafschuwen, maar ze hebben wel allemaal dezelfde vijanden waartegen ze zich verenigen. Terwijl voor veel mensen van onze ideeën de vijand in eerste instantie zijn eigen politieke vriend is. Afgunst!

Een jaar later gaf Faye weer voordrachten en publiceerde hij Archéofuturisme, zijn antwoord op “de catastrofe van de moderniteit” en een poging om een alternatief te bieden voor het traditionalisme. Bij het verschijnen van zijn gewaagde The Colonisation of Europe: True Discourse on Immigration and Islam in 2000, kreeg Faye de hele Gutmenschen-gemeenschap over zich heen. De Benoist en anderen namen toen blijkbaar opnieuw afstand van de radicalere Faye.

Faye zou nog enkele jaren in relatieve obscuriteit zwoegen tot vriendschappen met Amerikanen als Jared Taylor en Sam Dickson, en een nieuwe relatie met Arktos Media onder Daniel Friberg, Faye en zijn ideeën voor het eerst op een serieuze manier in de Engelstalige wereld uitgaven.  In Amerikaanse nieuw-rechtse kringen werd Faye’s werk geprezen en uitgedragen door websites als American Renaissance en Counter-Currents, en op Occidental Observer gaan een 20-tal essays in op Faye’s teksten. Academici zoals Michael O’Meara hebben, met de publicatie van Guillaume Faye and the Battle of Europe in 2013, ook veel aandacht besteed aan Faye. Faye’s boeken zijn zeer goed ontvangen in de Engelstalige wereld, zoals mijn eigen recensie van zijn laatste boek aangeeft.

Hoewel de biografische en bibliografische essays van Robert Steuckers de ruggengraat vormen van Guillaume Faye: Truths & Tributes, moet ik zeggen dat een van mijn favoriete essays in de bundel Pierre-Émile Blairon’s “Guillame Faye, an Awakener of the Twenty-First Century” is. De toon is veel lichter dan de vorige essays, met een grotere nadruk op zijn persoonlijke kwaliteiten als vriend en politiek avonturier. Blairon herinnert zich dat hij Faye ontmoette in de begindagen van zijn eigen activisme en in hem “de briljante woordvoerder en vindingrijke theoreticus zag van wat later ‘Nieuw Rechts’ zou worden genoemd.” Blairon vervolgt: “Ik herinner me dat hij, zelfs toen al, meer was dan een intellectueel; hij had ook gevoel voor theatraliteit en komedie en verblijdde ons met geïmproviseerde komediestukjes die ons aan het lachen maakten. Maar nu, meer dan veertig jaar later, heeft de geschiedenis zijn oordeel geveld: Guillaume Faye was veel meer dan dat.”

Voor Blairon was Faye een Awakener: iemand die uit een immanente, onveranderlijke en permanente wereld komt, die ‘andere wereld’ die parallel ligt aan de onze, en die hier aankomt om een missie te volbrengen. Iemand wiens enige bekommernis het doorgeven van hun kennis en energie is en die zijn hele leven daaraan wijdt. Awakeners of éveilleurs verschijnen in kritieke perioden van de geschiedenis, wanneer alles op zijn kop is gezet en alle waarden zijn omgekeerd, en wanneer de situatie wanhopig lijkt. Zij geven hun missie voorrang boven hun eigen persoon, hun persoonlijk belang en comfort. Hun vuistregel is de volgende: doe wat je moet doen, ook al is er weinig hoop op slagen.

Het essay gaat dan over tot een beknopte maar uitstekende beoordeling van de hoofdthema’s van Faye’s werk: de strijd tegen standaardisering en het globalisme; Europa als een in haar geschiedenis gewortelde entiteit in plaats van bureaucratie; etnomasochisme; de convergentie van catastrofes als een fundamenteel aspect van de ineenstorting van beschavingen; archeofuturisme en technowetenschap; en, tenslotte, de islam. Voor iedereen die het werk van Faye wil ontdekken, of op zoek is naar enkele minder bekende aspecten ervan, is deze bundel dus van onschatbare waarde.

Naast twee gedichten van Pierre Krebs, heeft het boek veel baat bij een sectie getiteld “Bijlagen”, die besprekingen bevat van Faye’s essays en boeken. Het beste daarvan is, naar mijn mening, het essay van Robert Steuckers over Faye’s Le système à tuer les peuples. In dit werk had Faye betoogd dat, verwaterd door massificatie en depersonalisatie, de westerse beschaving niet langer bestaat als een beschaving, maar eerder als een systeem dat de identiteit van volkeren bedreigt en volkeren in hun wezen doodt. Dit basisidee staat centraal in Faye’s anti-occidentalisme, dat zelf is gebaseerd op Faye’s algemene vijandigheid tegenover de Verlichting. Faye klaagde over de reductie van onze etnische identiteiten tot folklore, tot een decorum, “getransformeerd tot een rookgordijn dat de ‘vooruitgang’ van de planetaire homogenisering verbergt; zij zullen slechts een bron van vermaak zijn”. Zo’n 30 of meer jaar nadat Faye deze woorden schreef, is de situatie natuurlijk onmetelijk veel donkerder dan zelfs hij voorspelde, aangezien blanke identiteiten niet eens meer zijn toegestaan als folklore of vermaak, maar eerder worden voorgesteld als onderdrukkend en kwaadaardig.

Faye was echter duidelijk een profetisch en scherpzinnig denker. Hij voorzag de geleidelijke vervanging van echte politieke leiders door “regelgevers”, en voegde eraan toe dat de politieke beslissingen van staten worden dus vervangen door strategische keuzes die worden gemaakt in het kader van verschillende netwerken – die van grote ondernemingen, bankorganisaties, publieke of particuliere speculanten, enz. Al deze afzonderlijke strategieën brengen een  zelfreguleringsmechanisme op gang dat het systeem in staat stelt zijn eigen agenda te verwezenlijken.

Truths & Tributes is een vertaling van het Franse origineel, maar de Engelse editie had wellicht baat gehad bij een langer essay van Jared Taylor, en misschien ook van Sam Dickson, die Faye goed gekend schijnt te hebben en ongetwijfeld enkele leuke anekdotes had kunnen delen. Ik had ook graag het perspectief van Daniel Friberg gelezen, die in de loop der jaren veel werk verzet heeft om Faye bij een Engelstalig publiek bekend te maken. k geloof in ieder geval niet dat we het laatste woord over Faye hebben gehoord.

Mijn laatste gedachten ter afsluiting van deze bespreking zijn dat ik geloof dat we er allemaal baat bij kunnen hebben de houding van deze vitalistische Fransman aan te nemen, want ook al zijn we het met sommige van zijn ideeën niet eens, er is weinig twijfel aan de voordelen van het omarmen van zijn hedendaagse Heraclitisme van “innovatieve mobiliteit”. Voor Faye is onze situatie steeds veranderlijk en dynamisch, en als we enige hoop hebben die uitdaging aan te kunnen, dan moeten ook wij reageren met energie, snelheid en zelfs vreugde, hoe donker de context ook is. Hoewel zijn laatste boek inderdaad erg donker was, hoop ik dat Faye in zijn laatste dagen iets van deze vreugde heeft kunnen vinden. Ik laat het laatste woord aan Pierre Magué: “In een verzadigd en sluimerend Frankrijk was Guillaume Faye degene die aan de alarmbel trok, zonder zich zorgen te maken of het al dan niet het geschikte moment was om dat te doen, of hij het risico liep ijdel geleuter en academische redevoeringen te onderbreken.(…) Daaraan herken je een profeet.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: Guillaume Faye Remembered – The Occidental Observer



Categorieën:Metapolitiek

Tags: , , , , , ,