Napoleon: fortuna en virtú

Dominique Venner (1997)

Toen ik twaalf was, ontdekte ik Napoleon door La légende de l’aigle  van Georges d’Esparbès te verslinden. In een twintigtal verhalen bracht dit boek het avontuur van soldaten van de Grande Armée, grenadiers, huzaren en of kurassiers, die in het verleden Europa hadden veroverd met de punt van de sabel of de bajonet. Via anekdotes leerde ik meer over de geschiedenis dan in de schoolboeken, en ontdekte ik de betekenis van namen die niet alleen op de kaart van Parijs stonden. De exotische klanken van Rivoli, Jena, Friedland, Austerlitz, voerden me ver, ver weg van school, terwijl in mijn hoofd de fijfers klonken en de trommels sloegen.

De schrijver zat er voor iets tussen, maar wat men leest in de herinneringen van Thiébault, Coignet of Marbot, toont aan dat Esparbès de weg niet kwijt was.

Vandaag de dag is mijn mening over de Napoleontische oorlogen oneindig veel genuanceerder dan toen Georges d’Esparbès mijn Plutarcus was. Napoleon liet Frankrijk niet alleen verslagen en kleiner achter dan hij het had gevonden, maar ook omringd door vijanden die hij tot nationale hartstochten had opgezweept. Hij had Frankrijk voor lange tijd van bloed en moed beroofd, zozeer zelfs dat het land zich er nooit van herstelde. Toch kon niets van dit alles mijn tederheid voor de soldaten van het epos veranderen. Het hart op de juiste plaats, fel in de strijd, trots op hun adelaars en met de dood als gezel, een voorliefde voor dapperheid: deze soldaten belichaamden een type Fransman van wie men zich een broeder kon voelen.

Helaas heb ik in het Frankrijk van mijn tijd nauwelijks zulke Fransen ontmoet. Deze teleurstelling liet me achter met een pijn die niet te genezen is.

Zou het kunnen dat de geheime bron van het land was opgedroogd? Duistere geesten zullen dat beweren, maar de geschiedenis geeft andere interpretaties. Heiligen en helden zijn nooit legio. Sommige tijdperken verafschuwen hen, andere zien hen plotseling als voorbeeld en streven ernaar hen na te volgen. Om de plotselinge veranderingen te verklaren waarvan de geschiedenis zoveel voorbeelden geeft, beriep Machiavelli, die weinig in God en helemaal niet in de Voorzienigheid geloofde, zich op Fortuna, waarvan de Ouden in hun wijsheid een godheid hadden gemaakt. Zij werd beurtelings gesymboliseerd door een vrouw in wankel evenwicht, en door een wiel in beweging. Machiavelli erkende de rol van het lot in het onvoorspelbare spel der gebeurtenissen en in het inconsequente gedrag van de mensen, maar geloofde in de rol van de virtù, een Romeinse eigenschap bij uitstek, bestaande uit wil, durf en energie: “Ik denk zeker dat het beter is onstuimig te zijn dan omzichtig, want Fortuna is een vrouw en als men haar wil onderwerpen, met moen sterk staan  . […] Daarom is zij, altijd een vrouw zijnde, de vriendin van jonge mannen, want die zijn minder omzichtig, gewelddadiger, en bevelen haar vrijmoediger”.

Is het lot van Bonaparte, de personificatie van de Prins volgens Machiavelli, niet een treffende illustratie van deze theorie? Maar wie had enkele jaren vóór Brumaire zijn duizelingwekkende opgang en de omwentelingen die hij veroorzaakte, kunnen voorzien?

Kijk naar Edmund Burke, een lid van het Londense Parlement, een lucide en ontzet waarnemer van de eerste dagen van de Revolutie. Reeds in 1791 begreep hij wat er zou gebeuren met de koninklijke familie, en meer in het bijzonder met Marie Antoinette. Hij was verontwaardigd dat de adel niet opstond om de belaagde koningin te verdedigen:

“In een natie van ridderlijkheid,” schreef hij destijds, “in een natie bestaande uit mannen van eer en ridders, dacht ik dat tienduizend zwaarden uit hun scheden zouden zijn getrokken om haar te wreken, zelfs van een blik die haar met een belediging bedreigde! Maar de tijd van ridderlijkheid is voorbij. Die van de sofisten, economen en rekenaars is haar opgevolgd; en de glorie van Europa is voor altijd gedoofd….”

De zwaarden bleven inderdaad grotendeels in de schede, ondanks de schanddaden die de koningin moest ondergaan, en de terechtstelling van de koning. Het was om te wanhopen aan de Franse deugd. Maar plotseling, zonder dat iemand het voorzien had, kwam de Vendée in opstand, en Lyon, Marseille, en Toulon. Het was niet langer een handvol heren maar een heel volk van boeren die de wapens opnamen “voor God en voor de Koning”. Spoedig brak de Thermidor uit en enkele jaren later begroef een jonge generaal, die als een rabiate Jacobijn bekend stond, de Revolutie onder het applaus van de voormalige koningsmoordenaars. Wat was er gebeurd? Het rad van fortuin was gedraaid.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: https://institut-iliade.com/enquete-sur-lhistoire-n19-hiver-1997-dossier-bonaparte-lhomme-et-la-legende/



Categorieën:Geschiedenis

Tags: , , , , , ,