Guillaume Faye De strijd tussen twee wereldbeschouwingen

Guillaume Faye (2010)

Het metafysische denken, dat zijn oorsprong vond in het monotheïsme en eindigde in het humanisme, wilde het “Zijn” definitief benoemen, het “kennen”, en zo waarden vastleggen. De metafysica, die brak met de pre-Socratische Griekse filosofie, beschouwde het zijn-in-de-wereld als een prestatie, als een hoogste waarde. Het beschouwde het zijn als Sein (Zijn op zichzelf) en niet als Wesen (Zijn-in-wording). Het Franse woord être geeft deze dubbele betekenis niet weer. Het zoeken – en pretenderen te vinden – van het Zijn als Sein (einai in het Grieks), is het devalueren, het is het beginnen aan een “-“lange mars naar het nihilisme”. De filosofie van de Geest (Geist; de Platonische noús) heeft voorrang boven de filosofie van het leven en het handelen, boven de “schepping”, de poiésis. Hieruit vloeit een hele antropologie voort: in het wereldbeeld van de metafysische en humanistische traditie is de mens een voltooid wezen omdat hij deel heeft aan de allerhoogste waarden (God in het bijzonder, of “wetten”, “grote morele beginselen”) die zelf voltooid, kenbaar, stabiel, universeel zijn. “Er is geen mysterie meer in het zijn” zegt Heidegger. Ingesloten in essenties en principes, verliest de mens zijn mysterie: dat is nu juist het humanisme. Elke mogelijkheid dat de mens de mens overtreft moet worden opgegeven. Menselijke “waarden”, voor eens en voor altijd uitgesproken, lopen dan het risico te verstarren of taboe te worden.

Vandaar de scheiding, die in de geschiedenis altijd merkbaar is geweest, tussen de waarden die de monotheïstische en humanistische filosofieën nadrukkelijk verkondigden, en het gedrag waartoe zij aanleiding gaven. Op religieus vlak neigen de insluiting van het menselijk handelen in “wetten”, en het oneindige maar eindige karakter van de opperste God, waarvan men weet dat hij definitief almachtig is, ertoe de religieuze band om te vormen tot een intellectuele relatie, tot een logos, waardoor op den duur de kracht van de mythen in gevaar komt. Spinoza, Leibniz, Pascal en Descartes bieden voorbeelden van deze transformatie van religieuze metafysica in logica; we moeten denken aan Spinoza’s amor intellectualis dei, Leibniz’ deductie van Gods attributen, Descartes’ bewering van Gods verstaanbaarheid voor alle rede, of, nog iets verder gaand in religieus nihilisme, Pascal’s gok dat geloof niet tegenstrijdig is met verstand. Bernard-Henri Lévy had volkomen gelijk toen hij in Le Testament de Dieu zowel zijn Bijbelse als zijn atheïstische overtuiging verkondigde, dat hij trouw was aan de Hebreeuwse metafysische godsdienst – de smeltkroes van de andere monotheïsmen -, de eerste die de voorkeur van de logos boven de mythos formuleerde.

Eeuwige vragensteller

Daarentegen weigert de Griekse traditie, die begon met Anaximander van Samos en Heraclitus, en die als een impliciete wereldopvatting door de Europese geschiedenis zal meanderen tot Nietzsche, het Zijn te benoemen. Het wordt gezien als Wesen (Zijn-in-wording) als gignesthai (transformerend worden), maar wordt nooit gedefinieerd. Het Griekse woord voor “waarheid”, legt Heidegger uit, is alèthéia, wat “onvoltooide onthulling” betekent. De waarheid is niet die van de Bijbelse Jahweh, “Ik ben de Ene, Ik ben de Waarheid”. Waarheid is datgene wat verlicht wordt door de menselijke wil, die wil die de sluier van de wereld optilt zonder ooit dezelfde werkelijkheid aan het licht te brengen.

In de Griekse filosofie, evenals bij Heidegger, worden talloze woorden gebruikt om “het Zijn te denken”. Wij zullen de vraag naar het Zijn nooit kunnen beantwoorden, net zoals wij nooit de “essentie van de rivier”, die eeuwig verandert en onder de brug door stroomt, zullen kunnen kennen. De wereld blijft dan in zijn toekomst altijd het “duistere”, en de mens een eeuwige zoeker ondervrager, een dier dat voortdurend op zoek is naar “verlichting”. “Hominiteit, zegt Heidegger, wordt gekenmerkt door de deinotaton, de “onrust”: zich zorgen maken over de wereld is haar eeuwig in vraag stellen, haar doen uitkomen en zichzelf doen uitkomen uit de verstilling, deze illusie te weten waar men is en waar men heengaat.

Dit wereldbeeld stelt de mens voor, de eeuwige betekenisgever, in een duel met de wereld, die zich aan zijn aanvallen onttrekt, en die, om zich gedeeltelijk te laten vangen, steeds nieuwe vormen van menselijk handelen eist, nieuwe betekenissen, nieuwe waarden, die op hun beurt zullen worden overschreden.

Het sacrale en de openheid naar de wereld

De Griekse mythologie, die ons het schouwspel biedt van gevechten tussen wispelturige goden en menselijke strijders die nooit ontmoedigd raken, altijd vurig in hun hartstocht om de goddelijke wetten te overtreden teneinde hun leven of de wetten van hun gemeenschap te behouden, vormt de dageraad van deze Europese Weltanschauung. Een einde van de geschiedenis, door verzoening met het eindelijk gekende metafysisch goddelijke, is haar ten diepste vreemd. Dit wereldbeeld is het enige dat de grondslag van een superhumanisme mogelijk maakt: de mens, die van de ene historische cycli van waarden naar de volgende historische cycli van waarden gaat, transformeert in elk epochestadium de aard van zijn “Wil tot Macht volgens het proces van de Eeuwige Wederkeer van hetzelfde. De kosmos blijft een mysterie, het is het “duistere in eeuwige ontsluiering”, zoals ook de moderne fysica het op een bijzonder actuele wijze beschouwt. De mythe blijft aanwezig in het hart van de wereld; deze opzettelijke en aanvaarde onmogelijkheid om het wezen van de wereld te kennen en te benoemen verleent haar een avontuurlijk en riskant karakter, en aan het menselijk handelen de tragische en eenzame dimensie van een eeuwig onvoltooide strijd. Het sacrale kan dan, in de sterkste zin, in de wereld ontstaan: het berust in deze afstand tussen de menselijke wil en de “ontwijking” van de wereld, die duidelijk zichtbaar is in de moderne wetenschappelijke en technische ondernemingen. Het sacrale is niet voorbehouden aan een principe (moreel of goddelijk) of een wezenlijk attribuut van het zijn (een god), maar bewoont de wereld via de mens. Het heilige is verwant aan een betekenis die de mens geeft aan zijn omgeving: de wereld, zegt Hölderlin, wordt ervaren als een “heilige nacht”. Er is geen enkele reden meer om zich gerust te stellen door te zoeken naar de “essentie van het zijn”, een voorspel van het einde van de geschiedenis, want de mens van deze Griekse opvatting van de wereld verlangt naar onrust. Hij gaat er dus van uit dat hij volledig menselijk is, d.w.z. altijd op weg naar het bovenmenselijke, omdat hij zich conformeert aan zijn openheid voor de wereld (de Weltoffenheit van Arnold Gehlen) die in zijn fysiologie is vastgelegd en door de moderne biologie is bevestigd.

Het zoeken naar het Zijn als Sein, het zoeken naar het metafysische en morele absolute, kan dan gezien worden als een on-menselijke onderneming, en het humanisme dat er filosofisch uit voortkomt als een eigenlijke niet-menselijke, of beter gezegd, ziekelijke ideologie. Het is in historiciteit (Geschichtlichkeit) en wereldsheid (Weltlichkeit), wat de Grieken de to on (zijn) noemden en de Latijnen de existentia, dat de weg ligt die wij kunnen kiezen om al dan niet te volgen.

Het te volgen het houthakkerspad – de Holzweg – dat “nergens” heen leidt behalve “naar het hart van het heilige woud”, waarover Heidegger op mysterieuze wijze schrijft, is opnieuw aansluiting zoeken bij de dageraad van Griekenland: de door het christendom doorgesneden draad weer oppakken en “uit de vergetelheid halen”. Het pad leidt niet naar een dorp, waar de kooplieden uitrusten, maar, verontrustend, het zinkt naar avontuur. Het “avontuur”, dat wil zeggen de toekomst, datgene wat in een bocht op het pad “uit de toekomst te voorschijn komt”: de geschiedenis.

Hier ligt dus de fundamentele betekenis van de inspanningen van Nietzsche en na hem van Heidegger, en na hem ongetwijfeld van vele anderen: in Europa, in het technische tijdperk, deze  onvolledig geformuleerde, door sommige Grieken onvoltooide wereldbeschouwing – opnieuw te regenereren, maar in een andere vorm, in zekere zin zelfbewust, wetend dat zelfs dit werk opnieuw zal moeten worden begonnen. Ons, mensen van de avond, van Hesperia (Abend-land), (ten opzichte van dat pre-Socratische Griekenland dat de Dageraad van een wereldbeschouwing wilde zijn), ons wacht een werk, waar niets filosofisch aan is, in de intellectuele zin van het woord: het zelfbewust maken, binnen het Europa van de technische beschaving, van een getransfigureerde vorm van deze wereldbeschouwing, of van deze religie-van-de-wereld van de Griekse Dageraad, aan de vergetelheid ontrukt door Nietzsche en Heidegger.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: Le choc des conceptions du monde | Guillaume Faye Archive (wordpress.com)



Categorieën:Filosofie, Metapolitiek

Tags: , , , , , , , , ,