China en de filosofie van Carl Schmitt

Daniele Perra (2021)

Algemeen wordt aangenomen dat de belangstelling voor het denken van Carl Schmitt in China in de jaren negentig is begonnen: dat wil zeggen op een moment dat het “Chinese model”, ondanks de mislukking van de pro-Westerse “oproer” op het Plein van de Hemelse Vrede, voorbestemd leek om door het unipolaire lichaam te worden verslagen en verpletterd. In deze context werd de theoretische uitwerking van de Duitse jurist gezien als een nuttig instrument voor de wederopbouw van de nationale eenheid rond de soevereine figuur vertegenwoordigd door de Partij. De opkomst van de Volksrepubliek als grote mogendheid deed de vrees voor een mogelijke externe druk tot ontbinding van de Volksrepubliek afnemen (wat echter het belangrijkste strategische doel van het “Westen” blijft); desalniettemin bleven de ideeën van Schmitt van kracht en bleven zij de Chinese politieke filosofie en geopolitiek beïnvloeden, vooral met betrekking tot het “één China”-plan en de vergelijking met de Verenigde Staten. Hier zal worden getracht de invloed van het denken van Carl Schmitt in China in twee verschillende (maar onderling verbonden) contexten aan de orde te stellen: het Chinese constitutionalisme en de verhouding tussen de centrale regering en de Speciale Administratieve Regio Hongkong.1

Van Berlijn naar Peking

De invloed van Carl Schmitt in China strekt zich uit tot ver buiten de kring van politieke filosofen. Gao Quanxi (foto) en Chen Duanhong, prominente vertegenwoordigers van het Chinese politieke constitutionalisme, hebben de theoretische uitwerking van Schmitt gebruikt om de aard van de grondwet van de Volksrepubliek diepgaand te begrijpen.

Politiek constitutionalisme is een denkrichting die een geheel nieuwe methode van constitutionele interpretatie hanteert. Dit is in feite gebaseerd op een “politieke” en niet op een normatieve interpretatie van de grondwettelijke tekst.

Traditioneel was de Chinese constitutionele theorie gebaseerd (en is dat in veel opzichten nog steeds) op een ideologische benadering, gebaseerd op het marxistische model, waarin de grondwet wordt gezien als het onvermijdelijke product van de hegemoniale/dominante klasse. Daaraan gekoppeld is een normatieve constitutionele theorie (beïnvloed door het “westerse” model) volgens welke de kernwaarde van het constitutionalisme de bescherming van de individuele vrijheden is. Normen ter bescherming van individuele rechten spelen derhalve een prominente rol bij het ontwerpen van grondwetten. Het doel van de normatieve constitutionele theorie is echter niet het fenomeen achter de norm te onderzoeken, maar de norm zelf. Het “klasse”-karakter van de Grondwet, in dit geval het “verschijnsel achter de norm”, wordt dus niet bijzonder diepgaand bestudeerd.

Gao Quanxi daarentegen betoogt dat geen van deze stellingen in staat is de aard van de huidige Chinese constitutionele orde te vatten.2 Politiek constitutionalisme richt zich in feite vooral op het moment van constitutionele creatie (niet op de normen) en onderzoekt de politieke wortels van de Grondwet. In die zin heeft het politiek constitutionalisme twee doelstellingen: a) het verduidelijken van de realiteit van de Chinese grondwet (d.w.z. de machtsregels die in de politieke realiteit functioneren); b) het onderzoeken van de kwestie van rechtvaardigheid in de grondwet (d.w.z. de mogelijke totstandbrenging van een normatief systeem dat in staat is de politieke macht in te tomen).

Het doel van het politiek constitutionalisme is dan ook uit te zoeken hoe een einde kan worden gemaakt aan de “Revolutie”: of beter gezegd, hoe de revolutionaire politiek kan worden onderworpen aan de constitutionele politiek en de bestuursmacht van de Partij kan worden onderworpen aan de soevereiniteit van het Nationaal Volkscongres.

De Chinese grondwet van 1982 is een grondwet waarin het politieke element een dominante status heeft. Dit politieke element verwijst natuurlijk naar het moment van de politieke stichting van de Grondwet als het resultaat van een “politieke beslissing” in de Schmittiaanse betekenis van het woord: dus als een “soevereine handeling”. De revolutie, als een “daad van geweld”, is de basis van de grondwet. Volgens Gao bevat het echter zowel revolutionaire als “de-revolutionaire” elementen.3 Het zet een rem (of probeert een rem te zetten) op de revolutionaire impuls en de radicale theorie van klassenstrijd van het maoïsme, door via de wet de sociale en politieke orde vast te leggen. De Grondwet vormt in feite de overgang tussen het uitzonderlijke beslissingsmoment en het politieke gewone, op behoud gerichte moment.

Volgens Schmitt vloeit elke positieve grondwet voort uit een stichtend politiek besluit. De Grondwet verwijst rechtstreeks naar het politieke moment (naar het besluit van het subject dat over de grondwetgevende macht beschikt), terwijl het constitutionele recht verwijst naar de normen van de Grondwet.

De Chinese grondwet maakt het Nationale Volkscongres tot de hoogste organisatie van de staat, de directe uitdrukking van de volkssoevereiniteit. Maar de partij is niet onderworpen aan de grondwet. Om deze reden hebben sommige geleerden gesproken over het bestaan van een dubbele grondwet in China : die van de Staat en die van de Partij. De rol van het politiek constitutionalisme bestaat er derhalve in de betrekkingen tussen de staat en de partij, alsmede tussen de partij, de grondwet en het volk tot stand te brengen (of te institutionaliseren)4.

Gao betoogt in dit verband dat de politieke wil (de soevereine beslissing in de “uitzonderingstoestand”) superieur is aan het normatieve element van het Constitutioneel Handvest, dat vooral verwijst naar het moment van het gewone. Het politieke element is van cruciaal belang in de uitzonderingstoestand, terwijl het normatieve/juridische element belangrijker is in de context van normaliteit. De samenleving moet worden geregeerd door normen, maar tegelijkertijd moet de oorsprong van deze normen duidelijk blijven.

Ook Chen Duanhong stelt dat Schmitts constitutionele theorie het meest systematische model van politiek constitutionalisme is en neemt op grond daarvan het Schmittiaanse absolute concept van de grondwet over als “de concrete bestaanswijze die elke politieke eenheid zichzelf geeft”5. Op basis van deze veronderstelling meent Chen dat de “Partijleiding boven het volk” de perfecte belichaming is van de absolute Grondwet6. De normatieve constitutionele theorie richt zich volgens de Chinese denker alleen op de grondwetgevende macht en niet op de politieke grondwetgevende macht, de enige die werkelijk fundamenteel is om de aard van de Grondwet te begrijpen. De grondwetgevende macht verwijst rechtstreeks naar soevereiniteit. Het is de hoogste macht binnen de politieke eenheid. Het gaat om een uitzonderlijke bevoegdheid die gekoppeld is aan de toepassing ervan in een uitzonderingstoestand. Door de uitoefening ervan creëert de Soeverein de grondwet en bekrachtigt hij de overgang naar de normaliteit, die niettemin door het uitzonderlijke wordt gegenereerd.

In dit verband constateert Chen een wezenlijk verschil tussen “creatieve macht” en “politieke macht”. Creatieve macht is een vorm van macht die werkzaam is binnen de samenleving en een politiek karakter kan krijgen wanneer een bepaalde sociale groep zich bewust wordt van de noodzaak van verandering door revolutionaire actie.

Zowel Gao Quanxi als Chen Duanhong ondersteunen de stelling dat de Chinese grondwet zich in een soort midden tussen exceptionalisme en gewoonheid bevindt. Maar terwijl de eerste probeert de beleidsruimte van de partij ten opzichte van de grondwet te verkleinen met het oog op uiteindelijke “normalisering”, verheerlijkt de tweede (en daarmee staat hij dichter bij het door Xi Jinping getheoretiseerde leiderschapsmodel) de rol en de permanente constituerende macht van de partij. Deze macht bestaat naast de “gevestigde macht” van het Nationale Volkscongres. De partij oefent aldus de beslissingsbevoegdheid uit; haar keuzes worden, indien zij voordelig blijken te zijn, overgenomen in de vorm van grondwetswijzigingen of, indien dit niet het geval is, kunnen zij worden opgeschort.

In die zin heeft de Chinese grondwet een zuiver Schmittiaans karakter, niet alleen omdat het politieke nooit wordt uitgeput in het economische, maar vooral omdat het moment van de politieke beslissing altijd aanwezig is (de grondwetgevende macht blijft en trekt zich niet terug, waardoor zij zich onder de grondwet plaatst). De legitimiteit van deze politiek-constituerende macht wordt nooit in twijfel getrokken door Chen, die haar rechtvaardigt met de Hegeliaanse stelregel dat alles wat bestaat noodzakelijkerwijs rationeel moet zijn.

Als het dus waar is, zoals Schmitt rond de eeuwwisseling van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw zei, dat Hegel van Berlijn naar Moskou was verhuisd, dan is het evenzeer waar dat Schmitt zelf vandaag van Berlijn naar Peking is verhuisd.

Het emblematische geval van Hong Kong

Zoals we hebben gezien is Chen Duanhong, net als Jiang Shigong, een voorstander van de stelling van de “ongeschreven Chinese grondwet”7, volgens welke de Partij een vorm van gezag heeft over het Handvest. Op basis van deze benadering beschouwden zowel Duanhong als Shigong de oplegging van de wet ter bescherming van de nationale veiligheid in Hongkong, die op 22 mei 2020 op bevel van de partij zelf door het Nationale Volkscongres werd vastgesteld, als rechtsgeldig.

Deze keuze, ook Schmittiaans in Chen’s perspectief, vloeit voort uit de vaststelling dat de staat een noodzakelijk veiligheidssysteem is om de bescherming van het individu binnen de gemeenschap te verzekeren. De leiders van Hongkong verzuimden passende veiligheidswetgeving in te voeren, waardoor een precaire situatie ontstond die ertoe leidde dat de burgers niet langer onderscheid konden maken tussen “vrienden” en “vijanden”. Het klimaat van confrontatie heeft dus een noodtoestand en politieke en soevereine interventie onvermijdelijk gemaakt, aangezien het door het “Westen” aangewakkerde secessionisme een ernstige bedreiging vormde (en nog steeds vormt) voor de nationale eenheid.

In dit geval hanteert Chen’s theoretische benadering een Hobbesiaans perspectief. Volgens Hobbes schept de mens de staat (opgevat als “gemeenschappelijke macht”) in de eerste plaats om redenen van veiligheid, omdat hij in de natuurtoestand leeft in een toestand van oorlog van allen tegen allen. In het denken van de auteur van Leviathan zijn twee rode draden te vinden: a) de staat van oorlog leidt tot de vorming van macht, die op haar beurt leidt tot vrede; b) persoonlijke veiligheid leidt tot de vorming van het idee van soevereiniteit, dat op zijn beurt leidt tot nationale veiligheid. Soevereiniteit leidt dus tot de Staat, die op zichzelf een systeem van veiligheid is.

Loyaliteit aan de soevereine macht is een moreel gevoel waardoor het subject zich identificeert met de macht zelf en zich beschikbaar stelt om voor haar te werken en, indien nodig, zich voor haar op te offeren. Het Schmittiaanse onderscheid tussen “vriend” en “vijand” vormt de basis van een dergelijk systeem van loyaliteit dat de constructie van het veiligheidssysteem impliceert.

Chen formuleert in dit verband drie stellingen over het idee van loyaliteit en nationale veiligheid: (a) soevereine veiligheid is noodzakelijk voor de vitaliteit van de Grondwet; (b) de Grondwet is de wet van het zelfbehoud; en (c) constitutionele loyaliteit is de bron van de kracht en de stabiliteit van de nationale veiligheid]. De eerste these daarentegen berust op twee vooronderstellingen: a) de staat als veiligheidsstelsel; b) de geldigheid en de vitaliteit van de Grondwet worden verleend door de soevereine macht8.

In die zin bestaat de taak van de Grondwet erin het soevereine gezag te vertalen in een objectieve rechtsorde om een gemeenschappelijke identiteit te vormen: te bepalen wie het volk is, wie de “onderdanen” zijn en wie de “vreemdelingen” zijn. In geval van bedreiging van de nationale integriteit is het de Grondwet zelf die de uitzonderingstoestand instelt, om de politieke beslissing over te nemen om de nodige maatregelen te nemen ter verdediging van de Staat.

In tegenstelling tot Jiang Shigong (wiens gedachten over dit onderwerp wij later zullen trachten te analyseren), staat Chen eerder kritisch tegenover de “één land, twee systemen”-theorie. Volgens hem moet de politieke loyaliteit van de Chinese burgers in Hongkong gebaseerd zijn op een samengestelde structuur van loyaliteiten: loyaliteit aan Hongkong als een speciale administratieve regio; loyaliteit aan de centrale staat. En deze loyaliteit moet worden gecultiveerd indien de Hongkongers het gevoel van nationale eenheid willen herwinnen dat zij onder de Britse koloniale bezetting en onder de schadelijke westerse invloed hebben verloren en waardoor sommigen van hen zichzelf als “wereldburgers” zijn gaan zien.

Uitgaande van de constatering dat de sterkste gevoelens onder de mensen van religieuze aard zijn, stelt Chen dat de Grondwet de basis moet worden van een burgerlijke religie: het “emotionele fundament van de natie dat in staat is een spirituele band op te bouwen tussen de vertegenwoordiger en de gerepresenteerde”9.

De eed van trouw aan de Grondwet wordt zo de rite bij uitstek van een burgerlijke godsdienst die een theologische bovenbouw plaatst op het fundament van een seculiere staat. Met andere woorden, het wordt de kracht die mensen samenbrengt en bij elkaar houdt. Ontrouwheid of liegen ontkracht niet alleen de waarde van de eed, maar vervormt ook de betekenis en de rol die, in de Chinese cultuur, aan de taal wordt toegekend. In feite heeft in het traditionele Chinese denken elk woord een speciaal karakter, en elk woord impliceert een consequente actie10. De eed/het ritueel herstelt niet alleen de oorspronkelijke functie van de taal als schakel tussen denken en handelen, maar vertegenwoordigt ook een heilige handeling. Daarom staat ontrouw aan een dergelijke eed gelijk aan godslastering en afvalligheid (een aspect dat ook sterk overeenkomt met de islamitische traditie).

Eén land, twee systemen

Jiang Shigong (foto) beschreef de keuze van het Nationale Volkscongres voor de Hongkong National Security Protection Act als een “belangrijke stap in het proces van de opbouw van het ‘één land, twee systemen’-mechanisme”.11.

De Chinese denker, reeds de auteur van een krachtige interpretatie van de geschiedenis als een vergelijking tussen tellurische en thalassocratische geografische “ruimten”, benaderde het probleem Hong Kong met een andere methodologie dan Chen Duanhong. Shigong erkent inderdaad het bestaan van twee verschillende benaderingen van het vraagstuk binnen dezelfde speciale administratieve regio: de ene gebaseerd op louter “verbeelding” en de andere op “realiteit”.

In dit verband wijst Shigong erop dat zelfs in de jaren tachtig van de vorige eeuw sommige burgers van de toenmalige Britse kolonie, mede door min of meer subtiele vormen van propaganda, bleven denken dat China en de Communistische Partij identiek waren aan de Grote Sprong en de Culturele Revolutie. Anderen daarentegen begrepen onmiddellijk dat het “huwelijk” tussen de twee systemen aan beide zijden welvaart zou kunnen brengen12.

Deze spanning tussen de “denkbeeldige wereld” en de “echte wereld” is volgens Shigong ook in onze tijd terug te vinden. De eerste stap is “rationeel denken”, d.w.z. de burgers van Hong Kong, die verslaafd zijn aan de westerse propaganda, ervan overtuigen de “fantasiewereld” te verlaten waarin de stad wordt voorgesteld als een “kosmopolitische metropool” en een deel van het “Westen”. Deze “mythe”, gebaseerd op een steeds engere visie op de Volksrepubliek en haar rol in de wereld, is niet alleen een product van propaganda, maar blijft ook de patronen van dit commerciële kapitalisme bevestigen, dat in feite de sociale mobiliteit belemmert en ontevredenheid opwekt, zonder in aanmerking te nemen dat dit propagandamodel, dat voortkomt uit een “globalistische” matrix, volledig voorbijgaat aan de realiteit van het vasteland van China en de rol van de Partij als een kracht die geworteld is in de Chinese samenleving (meer dan 90 miljoen leden)

Vandaag benadrukt Shigong, bij de overdracht tussen Londen en Peking, het fundamentele belang van de Basiswet die in 1990 werd aangenomen en in 1997 van kracht werd met de overdracht van de soevereiniteit over Hongkong aan de Volksrepubliek. Het is een grondwettelijke bepaling die de centrale regering de bevoegdheid geeft de uitoefening van de soevereiniteit over Hongkong te herstellen en de stad in het nationale constitutionele bestel op te nemen. De wet verleent Hongkong een hoge mate van autonomie in het kader van de unitaire structuur van de natie. De “oppositie” van Hong Kong heeft dit echter in de loop der tijd op twee verschillende manieren geïnterpreteerd: defensief (om de autonome status van de stad veilig te stellen en te waarborgen) en offensief.

Shigong erkent de “westerse” invloed die duidelijk blijkt uit de verschuiving van het defensieve naar het offensieve, dat, door het herhaalde gebruik van steeds gewelddadiger vormen van protest, heeft getracht Hong Kong tot een springplank te maken voor een nationaal en continentaal offensief.

Daarom is de kwestie Hong Kong niet langer een kwestie van economie, van het verhogen van het welzijn van de bevolking, of van het vermengen van twee verschillende systemen binnen dezelfde politieke ruimte. Het gaat om het al dan niet verdedigen van de nationale veiligheid, integriteit en soevereiniteit waarvan de evolutie naar een multipolaire wereldorde afhangt.13 Hong Kong vertegenwoordigt in feite, in het perspectief van Shigong, het steunpunt waarmee het “Westen” als hefboom kan worden gebruikt om leven te geven aan een nieuwe nomos van de aarde, gebaseerd op het idee van eenheid in veelheid.

OPMERKINGEN

1] Op de website “Eurasia” is het onderwerp van de invloed van het denken van Carl Schmitt in China reeds behandeld in een eerder artikel, getiteld “De invloed van Carl Schmitt in China”. De auteur is ook de auteur van een analyse van het denken van een van Schmitts belangrijkste hedendaagse Chinese theoretici, Jiang Shigong. Deze analyse, getiteld The Concept of Empire in the Thought of Jiang Shigong, werd gepubliceerd in de kolommen van de website “Osservatorio Globalizzazione”.

2] G. Quanxi, Beginselen van het politiek constitutionalisme, Zhongyang Bianyi Chubanshe, Beijing (2014), p. 3.

3] Ibid, p. 96.

4] J. C. Mittelstaedt, De twee grondwetten van China begrijpen. Re-assessing the role of the Chinese Communist Party, Discours lors de la conférence “New perspectives on the development of law in China”, Institute for East Asian Studies, Université de Cologne (a5-27 septembre 2015).

5] C. Schmitt, Verfassungslehre, Giuffrè Editore, Milaan 1984, blz. 59.

6] C. Duanhong, Constituerende macht en basiswetten, Zhongguo Fazhi Chubanshe, Peking 2010, blz. 283.

7] C. Duanhong, Nationale veiligheid en de grondwet, toespraak gehouden op het symposium ter gelegenheid van de nationale dag van de grondwet (Hongkong, 2 december 2020). De toespraak is te vinden op http://www.cmab.gov.hk.

8] Ibid.

9] Ibid.

10] Zie M. Granet, Il pensiero cinese, Adelphi Edizioni, Milaan 1917, pp. 37-45.

11] Zie  J. Shigong, Probing the imaginary world and the real world to understand the internal legal logic of Hong Kong’s National Security Law, www.bau.com.hk

12] Ibid.

13] Zie over de kwestie Hongkong ook J. Shigong, China’s Hongkong: een politiek en cultureel perspectief, Chinese Academic Library, Pechino 2017.

Vertaling: OvM

Oorspronkelijke tekst: https://www.eurasia-rivista.com/

http://euro-synergies.hautetfort.com/



Categorieën:Metapolitiek

Tags: , , , , ,