Is de Europese beschaving joods-christelijk?

Henri Levavasseur (2021)

In een tijdperk waarin islamistische netwerken hun invloed bij ons uitbreiden. Decennia van massa-immigratie in combinatie met toenemend intellectueel terrorisme vanwege “deconstructivistische” militanten (“cancel culture”, racistisch antiracisme, ultra-feminisme, enz.), vormen een ernstige bedreiging voor de etnische en culturele identiteit van de Europese volkeren. Er gaan echter steeds meer moedige stemmen op die oproepen tot de verdediging van onze beschavingsidentiteit, die door veel schrijvers, denkers en polemisten gemakkelijk als “joods-christelijk” wordt omschreven.

Maar is het correct en relevant om de Europese beschaving op deze manier te definiëren? Moet deze in wezen worden opgevat als “joods-christelijk” van oorsprong?

Wij denken van niet, en wel om twee belangrijke redenen: de ene heeft te maken met de geschiedenis van de Europese volkeren, de andere met de geschiedenis van de godsdiensten.

De wortels van de Europese beschaving dateren van vóór het christendom.

De grote meerderheid van de talen die vandaag door de volkeren van Europa worden gesproken (Romaanse, Germaanse, Keltische, Slavische, Baltische talen evenals Grieks) behoren met uitzondering van het Baskisch, het Hongaars, het Fins en het Ests tot de “Indo-Europese” talenfamilie, wat betekent dat zij bijna allemaal afstammen van een gemeenschappelijke moedertaal, die meer dan 5 000 jaar oud is. Voor zover taal het denken structureert, is dit erfgoed een essentieel onderdeel van onze beschaving.

Bovendien is geen enkele migratie of kolonisatie van buiten de Indo-Europese groep voldoende groot geweest – van die welke de laatste vijfduizend jaar bepaalde regio’s van Europa hebben getroffen – om de samenstelling van de Europese bevolking op continentale schaal radicaal te wijzigen. De migratiegolven van de laatste decennia, die geen precedent hebben in de lange geschiedenis van Europa wijzigen wel degelijk de samenstelling van de Europese bevolking. Deze vaststelling wordt nu ondubbelzinnig bevestigd door de resultaten van de meest recente paleogenetische studies. De meeste Europeanen zijn dus niet alleen sprekers van een Indo-Europese taal (zoals ook de Afro-Amerikaanse bevolkingsgroepen die in het Engels communiceren), maar ook afstammelingen van Indo-Europese voorouderlijnen, die al duizenden jaren inheems zijn.

De volkeren van Europa bereikten reeds in de Bronstijd, meer dan 3 500 jaar geleden, een vergevorderd beschavingsstadium.

Wat de ontwikkeling van wetenschap en kunst betreft, maar ook op het gebied van de grote beginselen van sociale en politieke organisatie, is Europa ook de erfgenaam van het Griekse denken en het Romeinse model, die ook dateren van vóór het christendom.

De plaatsen van Stonehenge, het Parthenon of het Romeinse forum werden opgericht lang vóór de bekering van het Romeinse Rijk tot het christendom. Zij zijn het tastbare bewijs van de oudheid van onze beschaving.

Dit betekent echter niet dat wij het belang mogen negeren van invloeden van buitenaf, met name uit het Oosten, die de Europese beschaving in verschillende stadia van haar geschiedenis hebben beïnvloed: geen enkele beschaving ontwikkelt zich zonder contact met haar buren, met wie zij afwisselend conflictueuze of vreedzame betrekkingen onderhoudt, hetgeen noodzakelijkerwijs leidt tot een permanente wisselwerking van wederzijdse invloeden. Een beschaving heeft haar eigen identiteit, en de invloeden die ze in de loop der eeuwen heeft ontvangen of doorgegeven, mogen ons er niet toe brengen de specifieke aard van die identiteit te negeren.

In dit opzicht behoort het christendom niet tot de “wortels” van Europa, maar is het een “ent” die natuurlijk de groei heeft veranderd van de boom waaraan hij in een hoog ontwikkelingsstadium werd toegevoegd.

Ook hier gaat het er niet om het belang van de christelijke bijdrage aan onze beschaving in twijfel te trekken. Onze beschaving zou ongetwijfeld heel anders zijn dan wat zij is geworden (ten goede of ten kwade, dat weet niemand), indien deze “ent” niet had plaatsgevonden. Het gevoel dat ons bekruipt bij de herinnering aan onze verre voorouders als we de ruïnes van Stonehenge of het Parthenon aanschouwen, belet ons niet eenzelfde soort emotie te ervaren onder de gewelven van de kathedraal van Chartres. Het bewonderen van Homerus of Aristoteles betekent niet dat men de waardering voor Thomas van Aquino of Pascal opgeeft. Laten wij daaraan toevoegen dat men een denker kan bewonderen zonder noodzakelijkerwijs al zijn analyses te delen. Helaas is dat niet meer vanzelfsprekend nu onze beschaving op instorten staat, nu het getier van “intellectuele terroristen” die zich laten inspireren door de waanideeën van de andere kant van de Atlantische Oceaan de bovenhand heeft). Toch ligt het voor de hand: de erkenning dat de “wortels” van de Europese beschaving ouder zijn dan het christendom, betekent niet dat men geen christen meer kan zijn, noch dat de geldigheid van de katholieke dogma’s in twijfel wordt getrokken voor al degenen die deze aanhangen. Het is een constatering die behoort tot de orde van de historische analyse, niet die van het geloof of de godsdienst: het gaat erom te erkennen dat de Europese beschaving christelijk is geworden, d.w.z. dat haar historische bestemming niet los kan worden gezien van de christelijke inbreng, terwijl tegelijkertijd wordt toegegeven dat de eerste ontwikkelingen van deze beschaving, die ons meest oorspronkelijke erfgoed vormen, dateren van vóór de komst van het christendom in Europa. Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat het christendom veel van Europa heeft ontvangen toen het zich daar vestigde: hoeveel heeft het Christendom niet ontleend aan het Griekse denken, aan de “Romeinse” organisatievormen (in zijn “westerse” en “oosterse” varianten), alsmede aan de plaatselijke tradities in de vorm van “volksvroomheid” vanaf de eerste eeuwen van de Kerk tot heden – zowel onder katholieken en protestanten als onder de orthodoxen.

De tweede reden waarom de beschavingsidentiteit van Europa niet “joods-christelijk” kan worden genoemd, is gebaseerd op een andere vaststelling, namelijk die van de verwerping van de christelijke boodschap door het post-christelijke jodendom.

Het is geen belediging voor het jodendom om eraan te herinneren dat het zich vanaf het begin van onze jaartelling heeft ontwikkeld tegenover het christendom, waarvan het de dogma’s of geloofsartikelen om vele redenen verwerpt. Het is overigens niet de taak van een historicus om een oordeel te vellen over de geldigheid van dezen of gene argumenten.

Dit betekent natuurlijk niet dat de betrekkingen tussen de gelovigen van de twee godsdiensten in de loop der eeuwen altijd conflictueus zijn geweest, noch dat de christenen geen vaak vruchtbare intellectuele dialoog hebben gevoerd met de vertegenwoordigers van het jodendom (zoals ook het geval is geweest met bepaalde moslimelites, zonder dat het nodig is te spreken van islamitisch-christendom).

Niemand zal ontkennen dat vele Joden een eminente bijdrage hebben geleverd tot de ontwikkeling van de Europese beschaving, zowel op artistiek, wetenschappelijk als economisch gebied. Dit maakt het jodendom als zodanig, vooral in zijn “post-christelijke” versie, echter nog niet tot een primaire bron van onze beschaving. Het feit dat het christelijk monotheïsme zich vanuit joodse wortels heeft ontwikkeld, betekent niet noodzakelijk dat men van “joods-christendom” moet spreken: zou het bij onze tijdgenoten opkomen om het bestaan van een “joods-islamisme” in te roepen? Toch staat de islam in vele opzichten veel dichter bij het jodendom dan het christendom sinds zijn vestiging in Europa. Het islamitisch monotheïsme komt vrij direct voort uit de inspiratie van het joodse monotheïsme, terwijl het christendom op vele essentiële punten is afgeweken van zijn joodse wortels, met name wat betreft het idee van de incarnatie: het beeld van Christus als “ware God en ware mens”, is even ondenkbaar voor het jodendom als voor de islam. Terloops zij eraan herinnerd dat godsdiensthistorici soms de hypothese naar voren hebben gebracht van een invloed op het vroege jodendom door de oude Iraanse beschaving van Indo-Europese oorsprong, die zelf een vroege “monotheïstische” evolutie onderging met het Zoroastrisme.

Hoewel het jodendom in de loop van zijn geschiedenis herhaaldelijk een duidelijke invloed heeft gehad op de westerse beschaving (met name ten tijde van de heropleving van de Hebreeuwse studies in het kielzog van het humanisme van de Renaissance), moet worden opgemerkt dat de joodse gemeenschappen die zich in Europa hebben gevestigd, zelf grotendeels zijn doordrongen van de Europese cultuur, die hen een identiteit heeft gegeven die verschilt van die van de gemeenschappen buiten Europa.

Het jodendom en de islam verschillen echter op een fundamenteel punt in hun verhouding tot het christelijke Europa, in die zin dat de islam sinds zijn eerste expansiefase vrijwel nooit heeft opgehouden een militaire en beschavingsbedreiging te vormen voor de christelijke wereld, of het nu gaat om het Byzantijnse Rijk of het middeleeuwse Westen. Er zij aan herinnerd dat de Moorse verovering van Spanje dateert van vóór de eerste kruistochten, en dat het Ottomaanse Rijk al vóór de val van Constantinopel een aanzienlijk deel van de Balkan in Europa bezette.

In het kader van de betrekkingen tussen de verschillende joodse gemeenschappen en het christelijke Europa heeft zich zeker niets vergelijkbaars voorgedaan.

Toch lijkt het gebruik van het begrip “joods-christendom” ons ongeschikt om de essentie van onze beschaving te omschrijven, die eenvoudigweg als Europees moet worden omschreven, zonder daaraan andere kwalificaties te verbinden.

Het jodendom heeft geen voldoende beslissende en directe rol gespeeld in de identiteit van Europa om het te kunnen definiëren op basis van religieuze, etnische of beschavingsreferenties die uiteindelijk losstaan van zijn eigen wortels. Dit betekent natuurlijk niet dat de joodse gemeenschappen die eeuwenlang in Europa hebben gewoond, niet volmaakt Europees zijn geworden. Het is gewoon belangrijk om de relatie van invloed en historische precedent niet om te draaien door onze beschaving als “joods-christelijk” te omschrijven, wat het resultaat is van een dubbele intellectuele verwarring. Het zou meer in overeenstemming zijn met de historische realiteit om te spreken van Helleens-christendom, gezien de belangrijke ontleningen van de christelijke theologie aan de Griekse filosofische traditie, ook al heeft het Latijn zich van nature opgedrongen als de taal van de Kerk in het christelijke Westen.

Bovendien betekent het feit dat Europa van meet af aan conflictueuze betrekkingen met de moslimwereld heeft gehad, niet dat de islam uitsluitend in dit licht moet worden bezien: geopolitieke imperatieven kunnen de Europese naties er vanzelfsprekend toe brengen als bondgenoten op te treden met mogendheden die behoren tot de moslimwereld. Die is overigens op geen enkele wijze verenigd noch in religieus, noch in taalkundig, noch in etnisch, noch in politiek opzicht. Deze vaststelling impliceert uiteraard niet dat wij de islam moeten erkennen als een onderdeel van onze beschaving, ondanks de aanwezigheid van vele moslims op Europese bodem (een aanwezigheid die in de meeste gevallen historisch gezien van recente datum is). Als men perfect moslim en burger van een Europees land kan zijn, kan dit er geenszins toe leiden dat bijvoorbeeld Frankrijk als een “moslimland” wordt beschouwd (in tegenstelling tot de ontstellende opmerkingen die onlangs door een Franse ambassadeur in een Scandinavisch land werden gemaakt naar aanleiding van de debatten over “moslimseparatisme” die werden uitgelokt door de islamitische aanslagen die in ons land werden gepleegd).

Het is duidelijk dat de massale migratiegolven uit “islamitische landen” die in de afgelopen halve eeuw op Europees grondgebied zijn binnengedrongen met de min of meer actieve medeplichtigheid van de politieke, economische, intellectuele, media- en zelfs religieuze elites, Europa blootstellen aan de dreiging van een radicale verandering van zijn etnische en culturele identiteit. Het is twijfelachtig of het mogelijk is de breuk die veroorzaakt is door vijftig jaar onbekwaamheid en verraad te verminderen met een bevooroordeelde definitie van de oorsprong van onze beschaving.

In tegenstelling tot wat de voorstanders van de “republikeinse” integratie (de auteur is Fransman, nota van de vertaler) ook beweren, deze breuk stemt niet overeen met een toekomstig risico, dat zou voortvloeien uit de terugtrekking van bepaalde Europeanen uit hun “identiteit”. Deze tweedeling heeft zich AL voorgedaan, en is het resultaat van vijftig jaar krankzinnig migratiebeleid. Betekent dit dat deze breuk ons in een onherstelbare situatie plaatst? Moeten wij, zoals sommigen willen, de draagwijdte ervan ontkennen in de hoop de gevolgen ervan te beperken?

Institut Iliade (een nieuw-rechtse denktank, nota van de vertaler) stelt een andere weg voor: een weg die erin bestaat de Europeanen niet alleen uit te nodigen om de herinnering aan hun verleden te herontdekken, maar vooral om zich voor de toekomst opnieuw de deugden eigen te maken die meer dan vijfduizend jaar geleden de ontplooiing van het Europese beschavingsgenie mogelijk maakten.

Het avontuur is niet voorbij, maar de tijd is beslissend en vereist de grootste luciditeit. Laat ons afzien van de spraakverwarring die ons op een dwaalspoor brengt. Het begrip “joods-christelijke beschaving” heeft geen enkele betekenis wanneer het erom gaat de collectieve identiteit van onze volkeren te definiëren. Laten wij het aandurven om de Europese beschaving, waarvan Georges Dumézil en Emile Benveniste de oorsprong op schitterende wijze hebben beschreven, te bevorderen, te belichamen en te verdedigen1.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: https://institut-iliade.com/lidentite-civilisationnelle-de-leurope-est-elle-judeo-chretienne/

Voetnoot

1 Vooraleer waakzame de immer alerte censoren hun schaar beginnen te slijpen, herinneren wij eraan dat de filoloog Emile Benveniste, auteur van een meesterlijke studie over het vocabularium van de Indo-Europese Instellingen” (Parijs, Les Editions de Minuit, 1969), in 1902 in Aleppo geboren werd uit twee Israëlitische ouders, beide onderwijzers. Genaturaliseerd tot Fransman in 1924, eerde deze grote geleerde zijn nieuwe vaderland door de kwaliteit van zijn werk. Dit eminente voorbeeld aantoont dat het voor uitzonderlijke individuen mogelijk is om Europeaan te worden. Dat is nog iets anders dan de huidige, karikaturale tendens om de identiteit van Europa te beschouwen als het resultaat van een grote smeltkroes.



Categorieën:Identiteit

Tags: , , , , ,