Homerus in de Baltische Zee: een essay over Homerische geografie

Felice Vinci (2021)

Een boek van Felice Vinci1 uitgegeven door Fratelli Palombi in Rome

Waarom Homerus in de Baltische Zee? Sinds de oudheid verbazen geleerden zich over de talrijke en onverklaarbare tegenstrijdigheden in de geografie van de Ilias en de Odyssee. Dit vooral betreffende plaatsen aan de Middellandse Zee, zoals bijvoorbeeld de ligging en topografie van Ithaca, de configuratie van zijn archipel, de vlakheid van de Peloponnesos, enz. Plutarchus is degene die ons de sleutel geeft om de werkelijke wereld van de twee gedichten binnen te gaan, wanneer hij in een van zijn werken, De fade quae in orbe lunae apparet, een verbazingwekkende zaak verklaart: Ogygia, het eiland van de godin Calypso, zou in de Noord-Atlantische Oceaan liggen “vijf dagen varen van het eiland dat wij nu Groot-Brittannië noemen”.

De wereld van Homerus in de Oostzee en de Noord-Atlantische Oceaan

Hierin ligt het begin van ons onderzoek: inderdaad, de archipel van Färöer, waar zich een eiland bevindt dat “Mykines” wordt genoemd, komt volkomen overeen met de aanwijzingen van Plutarch. Bovendien ligt op een van de eilanden van dezelfde archipel, Stòra Dimun genaamd, tegenover de zee, een berg met de naam Högoyggj. Van hieruit, nog steeds de gedetailleerde aanwijzingen volgend van de Odyssee over de route naar het Oosten die Odysseus volgde na het verlaten van Ogygia, kunnen we het land van de Phaeaciërs, “Escheria”, aan de zuidkust van Noorwegen identificeren: in de buurt van Stavanger ontdekken we een gebied dat zeer rijk is aan archeologische bewijzen uit de Bronstijd en bovendien betekende “skerja” in de oude Noordelijke taal “rif”. Als we deze kustlijn volgen, kunnen we door een zorgvuldig vergelijkend onderzoek de echte archipel van Ithaca tussen de Deense eilanden ontdekken, want volgens de Odyssee bevonden zich in de buurt van Ithaca drie grote eilanden: Dulychius (“de lange” in het Grieks, niet te vinden in de Middellandse Zee), Same en Zacinth, die respectievelijk overeenkomen met Langeland (“het lange land” in het Deens), Aere en Tâsinge, de belangrijkste eilanden van de Deense archipel van “Zuid-Fyn”. En Ithaca, het thuisland van Ulysses, wat is dat? Het is gewoon het huidige Lyo, dat er door zijn geografische ligging volkomen mee overeenkomt: het ligt immers, zoals de Odyssee meermalen onderstreept, aan het westelijke einde van de archipel en naast Aero; bovendien vertelt Homerus ons dat tussen Ithaca (Lyo) en Same (Aero) een ander klein eiland lag, Asteris, dat in feite overeenkomt met het huidige Avernako. Welnu, als het mediterrane Ithaca sterk verschilt van het Homerische Ithaca, niet alleen door zijn ligging in de archipel, maar ook door zijn topografie, dan komt Lyo in zowel morfologische als topografische details overeen met het vaderland van Odysseus. Zo zijn er bijvoorbeeld de “Haven van Forcis” en de “Raven Rots” (een neolithische dolmen in het westelijke deel van het eiland). Ten oosten van Lyo ligt het Homerische “Peloponnesos” – of het “eiland Pylos” – waar de koningen Atreus en Nestor regeerden, d.w.z. het grote eiland Sjaelland (waar nu de Deense hoofdstad Kopenhagen ligt). Inderdaad, dit eiland is vlak en komt overeen met de beschrijving van Homerus. De Griekse Peloponnesos daarentegen is noch vlak, noch een eiland, ondanks zijn naam; het ligt echter in het zuidwestelijke deel van de Egeïsche Zee, d.w.z. op een plaats die overeenkomt met die van Sjaelland in de Oostzee: dit is nog een bewijs van de omzetting van geografische namen door de Achaeërs toen zij uit het noorden afdaalden om het zuiden van Europa te bereiken.

Hoe zit het met de reizen van Odysseus na de Trojaanse oorlog? Toen hij op het punt stond Ithaca te bereiken, werd hij door een storm uit zijn vaderland verdreven, waarna hij vele avonturen beleefde op fabelachtige plaatsen voordat hij het eiland Ogygia bereikte: avonturen waarvan de setting, zoals we zullen zien, zeker die van de Noord-Atlantische Oceaan is, waar Plutarchus de locatie van Ogygia heeft aangegeven. Het eiland Aeolia, waar de “koning van de winden” regeert, zoon van Hippocrates, d.w.z. “de zoon van de ridder”, is inderdaad een van de Shetland-eilanden (misschien Yell) waar de verschrikkelijke winden waaien en waar ook kleine paarden leven. De Cyclopen – die lijken op de Trollen, de mythische reuzen uit de Noorse folklore wier moeder “Toosa” heet – hebben zich gevestigd aan de Noorse kust (waar zich een “Tosen-fjorden” bevindt). Het gebied van de Lestrigonen lag ook aan dezelfde kust, verder naar het noorden: de Odyssee vertelt ons dat de dagen daar erg lang zijn. En waar is het eiland “Lamoy” (d.w.z. het Homerische “Lamos”), het eiland van de tovenares Circe, waar de zon om middernacht te zien is en waar de zonsopgangen die keren (Homerus noemt ze “de dansen van de dageraad”) plaatsvinden, dansen die terug te vinden zijn in de vorm van de “dansen van Ushas” uit de Vedische mythologie waarover Tilak spreekt in zijn boek Polar Origins of the Vedic Tradition? Dit eiland kan worden vereenzelvigd met Jan Mayen, ten noorden van de poolcirkel. Er zij op gewezen dat het noordelijke klimaat tot de vroege bronstijd veel warmer was. Ook moet worden opgemerkt dat de “Zwervende Rotsen ” ijsbergen zijn en dat Charybdis waarschijnlijk overeenkomt met de beroemde draaikolk genaamd Maelstrom, in de buurt van de Lofoten-eilanden. Na de episode Charybdis landt Odysseus op het eiland Trinacria, d.w.z. “de Drietand”; nu is er naast de Maelstrom zeker een driepuntig eiland dat Vaeroy heet.

De Sirenen, die Odysseus ontmoet voordat hij de Straat van Charybdis bereikt, zijn in werkelijkheid zeer gevaarlijke riffen voor zeelieden die worden aangetrokken door het melancholieke ruisen van de branding, en die, als zij hen naderen in de veronderstelling dat de kust nabij is, het risico lopen aan de grond te lopen. De “sirenenzang” is dus een metafoor die vergelijkbaar is met die van de kennings in de Noordse literatuur. Tenslotte komt de “oceaanrivier” uit de Griekse mythologie overeen met de Golfstroom, die langs de kust van Noorwegen naar de Arctische ijszee loopt.

Kortom, deze avonturen, die waarschijnlijk geïnspireerd zijn op de verhalen van zeelieden uit de Bronstijd op de Noordzee, dateren uit een tijd waarin de scheepvaart sterk ontwikkeld was, vooral in Noorwegen, waar het klimaat milder was dan tegenwoordig, en herinneren aan de oceaanroutes van de zeelieden uit die tijd, zoals herzien door de verbeelding van de dichter; deze avonturen zouden onbegrijpelijk worden als ze naar een heel andere context werden overgebracht, namelijk de Middellandse Zee.

Ons onderzoek richt zich nu op de situatie van Troje: er zijn nu onderzoekers, zoals de beroemde Engelse professor Moses Finley, die ontkennen dat het Homerische Troje zou kunnen samenvallen met de stad die door Heinrich Schliemann is ontdekt op de heuvel van Hissarlik in Anatolië. De door Homerus bezongen stad lag inderdaad ten noordoosten van de zee, tegenover de “uitgestrekte Hellespontine” (die heel anders is dan de Straat van Dardanellen), en de middeleeuwse Deense geschiedschrijver Saxo Grammaticus heeft verschillende malen melding gemaakt van een dorp van de “Hellespontines”, vijanden van de Denen, in de oostelijke Oostzee. In een regio in het zuiden van Finland, tussen de steden Helsinki en Turku, zijn er echter veel plaatsnamen die lijken op de namen van plaatsen en dorpen die geallieerd zijn met de Trojanen die in de Ilias worden genoemd: Askainen, Reso, Karjaa, Nâsti, Lyökki, Tenala, Killa, Kiikoinen, Aijala, en vele andere. Bovendien herinneren plaatsnamen als Tanttala en Sipitä (de mythische koning Tantalus werd begraven op de berg Sipylus) niet alleen aan de Homerische geografie, maar ook aan de hele Griekse mythologie. En waar is Troje? In het centrum van dit Baltische gebied, waar veel archeologische getuigenissen uit de Bronstijd te vinden zijn, ontdekken we een plaats waarvan de morfologie buitengewoon veel lijkt op de Homerische beschrijvingen, namelijk een heuvelachtig gebied dat een vlakte domineert die door twee rivieren wordt doorsneden, dat wil zeggen een gebied dat naar zee afloopt met een ruiger gebied. En dan ontdekken we dat de stad van koning Priam de plunderingen en brandstichtingen van de Achaeërs heeft overleefd en dat haar naam tot op de dag van vandaag vrijwel ongewijzigd is gebleven: het is “Toija”, zoals het nu heet. Het echte Troje is een vredig Fins dorp dat zijn glorieuze en tragische verleden is vergeten. Enkele kilometers verder op zee, waar de oude kustlijn lag, herinnert het dorp Aijala aan dat strand dat Homerus in het Grieks “aigialos” noemt (Ilias XIV, 34), het strand waar de Achaeërs aan land waren gegaan en hun verschanst kamp hadden opgeslagen.

Daarom valt er in de verhalen van de Ilias vaak een “dichte mist” over de strijders die op de Trojaanse vlakte vechten. Het is nu gemakkelijk te begrijpen waarom de zee van Odysseus niet lijkt op de glanzende zee van Griekenland, maar altijd beschreven wordt als “grijs” en “mistig”: de Homerische wereld is doordrongen van de hardheid van het noordelijke klimaat, waarin koude, wind, mist, regen, storm, ijs en sneeuw overheersen (Ilias XII, 284), en waarin zonneschijn en warmte afwezig zijn. De personages van Homerus zijn inderdaad altijd gehuld in zware wollen mantels – mantels die lijken op die welke men aantreft in Deense graven uit de Bronstijd – zelfs tijdens het meest gunstige seizoen om te zeilen. Kortom, deze Homerische wereld heeft niets te maken met de woeste vlakten van Anatolië. Bovendien lijken de muren van Troje, gemaakt van stenen en boomstammen, meer op die van oude noordelijke steden dan op die van de machtige Myceense forten.

Zo wordt onmiddellijk verklaard wat er vreemd is aan de lange veldslag in het centrale deel van de Ilias, met twee nocturnen (XI, 86; XVI, 777) en een “verschrikkelijke nacht” (XVI, 567) maar zonder enige onderbreking van de gevechten gedurende de nacht – wat onmogelijk is in het Middellandse-Zeebekken, waar alle veldslagen door duisternis worden onderbroken -: het is een beschrijving van de heldere nacht van de zomerzonnewende in de hoge breedtegraden, die de uitgeruste troepen van Patroklos, die ’s avonds de strijd aanbindt, in staat stelt tot de volgende dag zonder rust te vechten.

En nu, na de ontdekking van de wereld van Odysseus op de Deense eilanden en de wereld van Troje in Zuid-Finland, stelt de “Catalogus van schepen”, ontleend aan Canto II van de Ilias, ons in staat de gehele verloren wereld van Homerus en de Griekse mythologie te reconstrueren door de kustlijn van de Oostzee tegen de wijzers van de klok in te volgen. Bijvoorbeeld: de omgeving van Stockholm komt overeen met het Homerische Boeotië; hier komt de Zweedse baai Norrtälje, van waaruit tegenwoordig de veerboten naar Helsinki vertrekken, overeen met het oude Boeotische Aulid, waar de Achaeïsche vloot zich verzamelde alvorens naar Troje te vertrekken. Een ander voorbeeld: in de Åland-archipel, tussen Zweden en Finland, is het huidige Lemland Lemnos, waar de Achaeërs tijdens de overtocht halt hielden, terwijl zij op de terugweg van de oorlog langs Chios kwamen, wat overeenkomt met Hiiumaa, of Chiuma, een Ests eiland. Merk ook op dat Täby in de buurt van Stockholm Thebe is, de stad van Oedipus, Tyresö herinnert aan de Thebaanse waarzegger Tiresias, en een heuvel genaamd Nysättra is de mythische berg Nyssa, waar de Thebaanse Dionysus werd geboren. Het oorspronkelijke Athene van Theseus lag aan de zuidkust van Zweden, bij Kalkskrona: Volgens Plato’s dialoog Critias bevond het zich namelijk in een kronkelige vlakte met vele rivieren, heel anders dan de huidige morfologie; vervolgens vermeldt de “Catalogus van schepen” de streken Peloponnesos, Dulychium en de archipel van Ithaca, in een volgorde die in het Middellandse-Zeegebied onmogelijk is, en bevestigt de identificatie met Sjaeltand, Langeland en Lyo, die reeds door de Odyssee was verkregen. Kreta, dat Homerus nooit een “eiland” noemt maar “het uitgestrekte land”, lag langs de Poolse kust van de Oostzee: dit is de reden waarom de Minoïsche Kretenzische kunst geen toespelingen maakt op de Griekse mythologie (trouwens, de naam van Polen, “Polska”, herinnert aan de “Pelasgiërs”, mythische bewoners van Kreta). In navolging van de mythe van Theseus en Ariadne, die ons vertelt dat tussen “Kreta” en “Athene” het eiland Naxos lag, zien we bovendien dat tussen de Poolse en de Zweedse kust een eiland ligt, Bornholm, met een stad die Nekso heet. Nog steeds volgens de “Catalogus”, langs de lange Finse kust, komt de mythische stad van Jason, Yolco, overeen met het huidige Jolkka, bij de Botnische Golf. Nog steeds in Finland lijkt de berg Pallas (Pallastunturi) op Pallas, d.w.z. Athena, en de rivier Kyrön (Kyrönjoki) doet denken aan de centaur Chiron, en lijkt erop te wijzen dat de huidige Lappen de afstammelingen zouden zijn van de mythische Lapithen, vijanden van de Centauren. Zo vinden wij in de Baltische wereld ook andere volkeren die verloren werden gewaand: de afstammelingen van de Dananen en de Homerische Cureten zouden respectievelijk de huidige Denen en de bewoners van Curlandia, een streek in Letland, zijn.

En hoe zit het met het eiland Paros, “een dag varen van de rivier Egypte”, en de stad genaamd “Thebe van Egypte”, die volgens Homerus vlak bij zee lag? Dit is een van de beroemdste raadsels van de Homerische geografie, want het Egyptische eiland Paros ligt dicht bij de kust, voor de haven van Alexandrië, en de stad Thebe ligt zo’n honderd kilometer landinwaarts. Welnu, de rivier die in de Oostzee een positie inneemt die overeenkomt met die van de Nijl, is de Vistula. In feite ligt er voor de monding (een delta vergelijkbaar met die van de Afrikaanse rivier), midden in de Oostzee (d.w.z. “een dag varen”), een eiland met de naam Fårö. Het is hier dat Menelaos Proteus ontmoet, de “Oude Man van de Zee”, die we terugvinden in de figuur van de “marmendil”, een waarzegger in de Noorse mythologie. Bovendien herinnert de Poolse stad Tczew, aan dezelfde monding van de rivier, aan de naam van het Homerische Thebe. Het ons bekende Egypte heette in de oudheid “Kemi”, evenals Thebe “Wò’se” heette: de huidige namen werden gegeven door de Myceners die, na hun afdaling in de Middellandse Zee, hier hun oorspronkelijke wereld wilden reconstrueren.

Kortom, de Homerische geografie, die in het Middellandse-Zeegebied lijdt onder ontelbare en onherstelbare tegenstrijdigheden, vindt haar natuurlijke plaats in de Baltisch-Scandinavische wereld: deze noordelijke ligging schetst een geografisch, morfologisch, toponymisch en klimatologisch beeld dat volkomen coherent is met de wereld van de twee gedichten en van de Griekse mythologie. Bovendien vertoont de beschaving die Homerus bezingt bijzondere verwantschap met die van de Vikingen, evenals met hun mythologie, ondanks de enorme tijdsverschil die hen scheidt. Geleerden hebben echter opgemerkt dat de Homerische wereld veel archaïscher lijkt dan die van de Myceners, die rond de 16e eeuw v. Chr. in Griekenland verschenen. Het is duidelijk dat deze laatsten, die grote zeevaarders en handelaars waren, onmiddellijk na hun aankomst in het Middellandse-Zeegebied contacten legden met de meest verfijnde mediterrane beschavingen: dit is de reden voor hun snelle evolutie.

Wat overigens de noordelijke oorsprong van de Myceense beschaving betreft, dit alles wordt bevestigd door de archeologische bewijzen die in Griekenland zijn verzameld. De archeologie heeft dat inderdaad vastgesteld (Prof. Martin P. Nilsson, Homer and Mycenae, Londen 1933, blz. 71-86):

  1. de aanwezigheid van een grote hoeveelheid barnsteen, waarschijnlijk Baltisch barnsteen, in de oudste Myceense graven en de afwezigheid ervan in de andere;
  2. de noordse kenmerken van zijn architectuur: de Myceense megaron “is identiek aan de vergaderzaal van de oude Scandinavische koningen”;
  3. “de opvallende gelijkenis” van de stenen platen, gevonden in een grafkamer bij Dendra, “met bekende menhirs uit de Bronstijd in Midden-Europa”;
  4. de schedels van het Noordse type uit de necropolis van Kaikani, enz.

Anderzijds hebben onderzoekers opmerkelijke overeenkomsten gevonden tussen de afbeelding van Minoïsche (Myceense en Kretenzische) figuren en enkele unieke gravures die zijn gevonden op sarcofaagplaten die behoren tot een enorme terp uit de Bronstijd (75 meter in diameter) in Kivik in Zuid-Zweden. En wat te denken van de aanwezigheid van een “graffiti” die een Myceense dolk voorstelt op een megaliet bij Stonehenge in Engeland? Bovendien zijn er in dit gebied andere sporen (“Wessex-beschaving”) die aan de Myceense beschaving doen denken, maar die enkele eeuwen vóór het begin ervan in Griekenland schijnen te zijn begonnen. In dit verband vermeldt de Odyssee een bronzen markt in een overzeese plaats, “Theems” genaamd, die nooit in het Middellandse-Zeegebied is geïdentificeerd: wanneer men bedenkt dat brons een legering van koper en tin is en dat dit laatste in Noord-Europa bijna uitsluitend in Cornwall werd geproduceerd, zou men kunnen afleiden dat deze Homerische “Theems” overeenkwam met de monding van de Theems (in de oudheid “Thamesis” of “Tamensîm” genoemd).

Kortom, de ware plaats van oorsprong van de Homerische gedichten en de Griekse mythologie was de Baltisch-Scandinavische wereld, waar de Bronstijd, begunstigd door een uitzonderlijk mild klimaat, bloeide met prachtige producten die vergelijkbaar waren met die van het Middellandse-Zeegebied. Wij herinneren eraan dat de geleerden hun speculaties baseren op een “klimatologisch optimum”, na de laatste ijstijd, dat zou hebben geduurd tot het begin van het tweede millennium v. Chr., hetgeen ook de door Tilak in India gesteunde these van de Arctische oorsprong van de Ariërs bevestigt. Merk ook op dat toen deze periode eindigde en het klimaat zeer ruw werd (meer dan vandaag), dit de tijd is waarin de migraties van Indo-Europeanen beginnen: Terwijl de Ariërs zich in India vestigden, trokken hun Achaeïsche “neven” naar de Middellandse Zee – misschien langs de grote Russische rivieren, zoals de Dnjepr – en brachten daar de Myceense beschaving voort; zo gaven zij aan de verschillende plaatsen waar zij zich vestigden, namen die identiek waren aan die van de streken die zij in hun verloren vaderland hadden achtergelaten, gebruik makend van een zekere overeenkomst tussen de twee bekkens, de Oostzee en de Middellandse Zee. Bovendien werden de oude verhalen van hun voorouders van generatie op generatie doorgegeven, waaruit de eerste kiemen van de Ilias en de Odyssee ontkiemden, en die kunnen worden beschouwd als “literaire fossielen” die de ineenstorting van de Bronstijd in Noord-Europa hebben overleefd.

Daarom is er niets bekend over de auteur(s). Tenslotte is door de ineenstorting van de Myceense beschaving (veroorzaakt door de Doriërs rond de twaalfde eeuw v. Chr.) de herinnering aan hun emigratie uit het Noorden definitief vergeten, hoewel dit door de archeologie wordt gestaafd.Zo verloren hun oude verhalen, die door de aedes tot in de klassieke tijd werden overgeleverd, hun oorspronkelijke “Hyperboreïsche” context, hoewel deze door de oude Grieken nooit helemaal werd vergeten, en werden zij vervolgens overgebracht naar de mediterrane wereld, waar zij in een mythische dimensie buiten ruimte en tijd bleven2.

Voetnoten

1 Italiaan, geboren in Rome, gespecialiseerd in nucleaire techniek; zijn voorliefde voor het oude Griekenland deed hem echter jarenlang met eruditie werken aan de onuitgegeven benadering van de geografie van de werken van Homerus.

2 In april 2017 werd in een Grieks academisch instituut in Athene een internationale conferentie gehouden over “Homerus in de Baltische Zee”. Een bijgewerkte samenvatting van dit artikel werd gepubliceerd door het Athens Journal of Mediterranean Studies. Om toegang te krijgen tot de inhoud, ga naar: https://www.athensjournals.gr/mediterranean/2017-3-2-4-Vinci.pdf

Een bespreking van het artikel door Arduino Maiuri, filoloog aan de universiteit van Rome, is zojuist gepubliceerd in het American Journal en kan worden geraadpleegd op

Http://www.davidpublisher.com/Home/Journal/SS

Http://www.davidpublisher.org/index.php/Home/Article/index?id=31714.html

Vertaling: OvM

Oorspronkelijke tekst: https://euro-synergies.hautetfort.com



Categorieën:Mythologie

Tags: , , , ,