Waar zijn dichters voor? Overpeinzingen naar aanleiding van 700 jaar Dante

Alessandro Sansoni (2021)

“Waar zijn dichters voor?”. Deze vraag, die wat weg heeft van een puberale vraag die een middelbare scholier aan zijn literatuurleraar zou kunnen stellen of tijdens een discussie tussen vrienden, vond Martin Heidegger zo essentieel dat hij haar tot titel maakte van een van zijn fundamentele teksten, niet toevallig geschreven in 1946, en vervolgens samengevoegd in de verzameling met de titel Sentieri interrotti (of ”zwerven” volgens de vertaler van de Holzwege), die van het keerpunt (Kehre) waarmee de Duitse filosoof, vergezeld van de verzen van Rainer Maria Rilke en vooral van Hölderlin, de crisis van de westerse metafysica en de verbreiding van het nihilisme wilde aanvechten.

De “dichters” waarop de grote denker doelde, zijn natuurlijk niet zij die zwelgen in vers, rijm of vrijheid, maar zij die in staat zijn om met de kracht van hun woorden de diepten van de taal, begrepen als het “huis van het Zijn”, te verkennen en zich zo ver te wagen dat zij voor een moment de sluier scheuren die de wereld bedekt, en de lezer (of toehoorder) in het voetspoor plaatsen van de goden die hem nu verlaten hebben.

Kortom, Heidegger bedoelt die bijzondere en zeer zeldzame categorie dichters die hij “dictators” noemt en die met de kracht van de beelden die zij door middel van woorden weergeven, het universum ordenen, omdat zij het tenslotte denken.

En inderdaad, zij zijn het die beschavingen doen ontstaan: uit Homerus wordt de Europese traditie geboren, Vergilius formaliseert de latinitas, Goethe sticht de moderne Duitse natie en de lijst zou nog lang kunnen zijn, maar de “dictators” oefenen geen eenvoudige politieke functie uit, door met de kracht van hun “dictaat” in te werken op de volkeren die hun eigen taal gebruiken, zij bouwen zelfs echte kosmogonieën van universele waarde: zij ontsluieren het Licht en de Waarheid.

En de Heideggeriaanse vraagstelling, met de complexe betekenissen die zij onthult, brengt ons onvermijdelijk tot nadenken over Dante Alighieri, misschien wel de meest bewuste van de “dictators” van de macht van zijn Kunst.

Dante codificeert een taal, concipieert een natie, definieert een axiologie, legitimeert een ideologie (de keizerlijke), beitelt een artistiek meesterwerk, maar bovenal leidt hij zichzelf, en ons met hem, naar de ontmoeting met wat primordiaal is. Het is geen toeval dat het gehele theologische kader van de Katholieke Kerk gedurende de laatste zevenhonderd jaar, zowel in de vergelijking tussen de wijzen als in de populaire voorstelling van het hiernamaals, niet voorbij kon gaan aan wat in de Goddelijke Komedie is vervat.

Wat Dante ons vertelt, in duizenden endecasyllaben in aaneengeschakelde terzetten, is een echte pelgrimstocht, zoals is gebleken bij allen die zo’n reis hebben ondernomen en die tegelijkertijd hebben nagedacht over het feit dat tegenover de vermoeidheid en de geleidelijke lichamelijke en biologische versterking die een reis te voet gedurende dagen en weken teweegbrengt, een langzame maar onverbiddelijke transformatie en geestelijke vooruitgang staan. Een innerlijke reis die, van het zoeken naar en het berusten in de meest wellustige en zondige herinneringen, bedoeld om het leed van de inspanningen van de eerste wandeldagen te verzachten, langzaam, naarmate het lichaam zich traint en aan kracht wint, leidt tot eerst een meer meditatieve intellectuele bezinning op de dingen van de wereld en vervolgens tot het zoeken naar de authentieke, transcendente, mystieke betekenis waartoe de ondernomen route uiteindelijk moet leiden: de opening van de blik op het Onuitsprekelijke.

Daar “hebben we vooral dichters voor nodig” en dat geldt des te meer vandaag, nu, zoals Agamben zegt, het huis in brand staat, nu onze zekerheden ineenstorten en nu de bezorgdheid over de pandemie en de maatregelen die genomen worden om haar te bestrijden ons lijken te willen herleiden tot onze biologische matrix alleen, waarbij medische bescherming het enige doel van ons handelen zou moeten zijn. Alsof het Leven niet veel meer was, niet in de eerste plaats een Risico (min of meer groot) om te vangen wat mooi is in de wereld.

Een wereld die berooid is geworden, om het nog eens met Heidegger te zeggen, juist omdat de goden en God haar zijn ontvlucht, juist omdat alles lijkt te zijn teruggebracht tot de angst en de absurditeit van het koste wat kost willen vermijden van de naderende dood: alsof de Dood ons niet altijd zou nemen, als consubstant van het Leven, als voltooiing ervan.

Kortom, als wij ons Dante herinneren in de zevenhonderd jaar sinds zijn dood, voelen wij de afwezigheid van de “dictators” en begrijpen wij dat wij hen nodig zouden hebben, zo niet juist omdat wij in hun voetsporen zouden willen treden in een tijdperk dat zo arm is dat wij niet eens meer in staat zijn de afwezigheid van God als een gemis op te merken, dan toch om het, esthetisch gesproken, met een beetje vernis over niets draaglijker en minder desoriënterend te maken.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: https://www.ariannaeditrice.it/



Categorieën:Filosofie

Tags: , , , , , , ,