De lente-equinox: goddelijk huwelijk tussen hemel en aarde

Carlomanno Adinolfi & Flavio Nardi (2021)

De lente-equinox of het lentepunt heeft altijd de overgang gemarkeerd naar het moment waarop de natuur weer tot bloei komt, waarin het leven ontspruit, waarin de aarde herboren wordt. In vele culturen werd de equinox in zijn belofte van regeneratie gelezen als het begin van het jaar. De mythe van de ontvoering van Proserpina is in dit verband emblematisch. Proserpina, dochter van Ceres, ontvoerd door Hades, keert na tussenkomst van de Vader der Goden terug naar Moeder Aarde, maar alleen voor de zes maanden van de lente en de zomer. Daarom is de equinox een fundamenteel punt van de jaarlijkse cyclus. Maar het “natuurlijke” aspect in deze belangrijke overgang van het jaar is niet het enige. In de Indo-Arische godsdiensten waren de cycli met betrekking tot de aarde en de natuur uiteraard belangrijk, maar zij waren niet het enige scharnierpunt waarop de spirituele visie, en dus de wereldbeschouwing, was gebaseerd. Zij waren in feite geïntegreerd in een veel ruimere kosmische visie. Daarom markeerde de lente-equinox, het moment waarop het licht gelijk is geworden aan de duisternis en op het punt staat deze eindelijk te overwinnen, niet alleen de bloei van de aarde in haar “lagere” betekenis, ze kreeg een veel “hogere” betekenis door de poort aan te duiden naar de anagogische weg van opstijging naar de Hemel.

Het is geen toeval dat tijdens de equinoctiale periode in Rome, de patriciërs vanaf de Tweede Punische Oorlog de volks- en plebejische cultussen van Liberalia ter ere van de goden Libero en Libera – nauw verbonden met de aarde, vruchtbaarheid en graan – naast de festiviteiten ter ere van de Magna Mater Cybele plaatsten. Cybele was een heel andere godin dan de grote mediterrane moeders die door de mensen in de voor-Arische cultussen werden vereerd. Zij was in het geheel niet verbonden met de aarde, met de vruchtbaarheid van de aardse en natuurlijke wereld, noch had zij de klassieke “kannibalistische” aspecten van de matriarchale godheden die dierlijk en plantaardig leven voortbrengen, maar tot wie alles terugkeert om op te lossen in een voortdurende cyclus.

Cybele is, in de woorden van de laatste grote heidense keizer Julianus, de “bron van de intellectuele en demiurgische goden die de zichtbare goden besturen”1. Voor de heidense Julianus, evenals voor zijn vriend Sallustus, de laatste grote Neoplatonische denker, vertegenwoordigt de hele mythe van Cybele de beëindiging van de creatie (de verminking van Attis) en de terugkeer, niet naar Moeder Aarde maar naar de oorsprong van de Goden in een hemelse anabasis, voorbij de stralen van Helios “die de troon deelt met de Moeder en die, met haar, de demiurg van alle dingen is” en langs de rivier Gallus, of de Melkweg, het pad dat onsterfelijke zielen nemen in hun neerdalende reis van incarnatie en opstijgende reis terug naar de Goden.

De lente-equinox markeert ook de intrede van het teken Ram, een krijgsteken – maart vertegenwoordigt het hemelse Vuur, ” het viriele principe van het gehele ontstaan2. Het is geen toeval dat deze twee zaken samenvallen en dat de feesten van de Magna Mater in maart worden gevierd tegelijkertijd met twee feesten die aan Mars zijn gewijd: de Agonalia op de 17e en het Tubilustrium op de 23e. Zoals Alexander Giuli opmerkt in zijn fundamenteel essay over de Magna Mater, “blijft de kosmische matrix van de Goden een onvruchtbaar vegetatief blad als het niet wordt verlicht door het viriele en actieve hemelse vuur dat wordt uitgestraald door de tweekoppige Ram”3. Op de lente-equinox vieren wij dit mystieke huwelijk tussen het hemelse viriele principe en de universele matrix waaruit het leven geboren moet worden.

In het Germaanse noorden was het begin van de lente gewijd aan de godin Eostre, die later Ostara werd, vandaar Ostern en Easter in respectievelijk het Duits en het Engels. De godheid was verbonden met vruchtbaarheid, denk maar aan de haas, het vruchtbaar dier bij uitstek, die de godin altijd vergezelt en die in de folklore de “paashaas” is geworden. Maar zij was ook verbonden met de dageraad – Eostre komt van het proto-Indo-Europese Hewsos of Ausos, vandaar het Griekse Eos en het Latijnse Aurora – waarvan de schittering het licht aankondigt dat de duisternis zal vervangen. Zoals Ostara de “ster van het Oosten” of Venus, de ster die de morgen aankondigt.

Het concept van de kosmische dageraad, die het jaarlijkse, en niet slechts dagelijkse licht inluidt, doet denken aan het polaire stamgebied van de Indo-Europeanen, waar de afwisseling van duisternis en licht een jaarlijks gebeuren is en de dageraad de terugkeer van het leven markeert. Tot de symbolen van Eostre behoort ook het ei – dat later het symbool van Pasen werd – dat verwijst naar het concept van de “kosmische baarmoeder van de goden” en de “bron” vóór al het andere. Maar zelfs hier blijft het ei onvruchtbaar zonder het actieve, mannelijke vuur, dat tussenbeide komt via Thor, die met zijn hamer en bliksemschicht, die overeenkomen met hetzelfde hemelse vuur en mannelijke principe als eerder gezien, het ei bevrucht en “openbreekt” om het levenspotentieel dat het bevat vrij te geven.

De uiteindelijke betekenis van de equinox of het lentepunt is dus die van het goddelijk huwelijk, van de synthese tussen Hemel en Aarde en van het ontstaan van een nieuw leven, maar het Leven dat uit dit mystieke huwelijk geboren wordt, is niet alleen dat wat materieel geboren wordt, dit is slechts het uiterlijke aspect. Het Leven dat in maart ontluikt is veel meer dan een belofte van regeneratie: het is de vrucht van het Licht dat eeuwig deelneemt aan de luister, en dat wij ons eigen moeten maken. Het is het “begrijpelijk” leven, zoals gedefinieerd door Keizer Julianus, een “begrijpelijk leven” dat niet slechts een rol speelt in de cyclus van geboorte en terugkeer naar de aarde, maar deelachtig is aan die goddelijke vonk die geboren wordt in de zonnewende, dat op Imbolc/Lichtmis in vlam werd omgezet en nu straalt, het leven dat klaar is om het opwaartse pad te volgen dat Helios met zijn stralen aanwijst.

Vertaling: kp

Oorspronkelijke tekst: https://www.ilprimatonazionale.it/

Voetnoten

1 – Flavio Claudio Giuliano, Hymne à la Mère des Dieux in Uomini e Dei, ed. Mediterranee

2 – Julius Evola, La Tradizione Ermetica, ed. Mediterranee

3 – Alessandro Giuli, Venne la Magna Madre, Settimo Sigillo ed.



Categorieën:Traditie

Tags: , , ,