Martin Heideggers brief Over het humanisme: een commentaar

Alberto Buela (2019)

Silvio Maresca en ikzelf maken sinds 2012 televisieprogramma dat Disenso heet, en over metapolitiek en filosofie gaat. Het programma is toegankelijk op youtube. En na het interviewen van bijna iedereen die in Argentinië aan filosofie doet (mochten we nog iemand vergeten zijn mag die gerust contact met ons opnemen!) zijn wij begonnen het becommentariëren van diverse filosofische onderwerpen. Dit is er een van.  

Over het humanisme, een gelegenheidsschrift geschreven in 1946 en gepubliceerd in 1947, is een antwoord op een drietal vragen die professor Jean Beaufret aan het eind van de Tweede Wereldoorlog heeft gesteld.

De eerste van deze vragen is: hoe kunnen we opnieuw een betekenis geven aan het woord humanisme? Het antwoord op deze vraag beslaat het grootste deel van de brief, die in mijn editie tot blz. 54 gaat. De tweede vraag luidt: is de relatie tussen ontologie en ethiek mogelijk, wat ons op bladzijde 66. De derde vraag luidt: hoe kunnen we het element van “avontuur”, dat alle onderzoek veronderstelt, redden zonder de filosofie tot een louter “avonturisme” te maken, wat de laatste twee bladzijden van dit werk in beslag neemt.

We zien hoe de antwoorden op de vragen niet in verhouding tot elkaar staan, en het is de dimensie van het eerste antwoord dat de brief zijn titel geeft.

Heidegger heeft deze gelegenheidsschrift aan als ware hij Aristoteles: de essentie van werk is te verwezenlijken. Verwezenlijken betekent: iets ontvouwen in de volheid van zijn wezen, dat ding tot zijn volheid brengen, producere.

Heidegger begint zoals hij eindigt, wanneer hij over het denken spreekt en bevestigt dat de drie-eenheid ervan bestaat uit: “De gestrengheid van de reflectie, de aandachtige zorgvuldigheid van het zeggen en de soberheid van het woord”. De helderheid waarmee hij begint en eindigt impliceert een vrije tekst waarin Heidegger op een geheel eigen wijze te werk gaat.

Centraal staat het wezen van de waarheid, een thema dat in 1930 het onderwerp was geweest van een conferentie met dezelfde naam. In die tijd was er “Heideggers keerpunt”, dat zich voordoet in Zijn en tijd (1927), met de bevestiging dat “waarheid voor Dasein is wat Dasein voor waarheid is”, dat wil zeggen, dat waarheid adequaatheid is, met de bevestiging dat waarheid aletheia is, dat wil zeggen, onthulling. Zo stelt hij: “De mens moet, alvorens te spreken, het zijn weer tot zich laten spreken”.

Humanisme is niets anders dan denken en zorgen dat de mens menselijk is en niet onmenselijk, dat wil zeggen buiten zijn wezen (essentie). En hij geeft drie versies van het humanisme:

Het marxisme humanisme, dat stelt dat de mens zich in de maatschappij bevindt omdat deze voedsel, kleding, voortplanting en economische toereikendheid waarborgt. De fundamentele fout van het marxisme zou zijn het wezen te reduceren tot het “materiaal van de arbeid”. En hij stelt in de volgende regel: “De essentie van het materialisme ligt verborgen in de essentie van de techniek”.

De tweede versie is die van het christendom, dat de mens ziet als de zoon van God voor wie de wereld slechts een doorgang is naar het hiernamaals.

3. De derde versie is het Grieks-Romeinse wereldbeeld, waarin de menselijke mens tegenover de homo barbarus staat. Paideia is vertaald “In Rome vinden we het eerste humanisme en de Renaissance van de veertiende en vijftiende eeuw in Italië is een renaissance van de Romeinse versie. En dit is de versie en de visie die het hele moderne humanisme bereikt vanaf de achttiende eeuw met Goethe, Schiller en Kant, die teruggaat tot de oudheid, voor wie “het onmenselijke nu de zogenaamde barbarij is van de gotische scholastiek van de Middeleeuwen”.

Niets is  verder van de mening van Heidegger verwijderd, die hieruit de centrale stelling van zijn gelegenheidsschrift ontwikkelt, namelijk dat de humanistische cultuur, vanwege haar moderne rationaliteit, die van de berekenende rede, ons slechts de Tweede Wereldoorlog kon brengen, met haar beschaving van de technologie, waaraan zowel het Noord-Amerikaanse gigantisme als het sovjetmarxisme meewerkten.

Dit is zo omdat subjectiviteit de metafysische figuur die het humanisme zijn potentieel verleent. Deze subjectiviteit is de figuur die zijn naam geeft aan de mens van de Verlichting, door de moderne metafysica verheven tot de rang van historisch subject.

De Tweede Wereldoorlog was dus niet, zoals de marxisten van de Frankfurter Schule, Adorno en Horkheimer, in Dialectiek van de Verlichting beweren, een inter-imperialistische oorlog. De reden die deze grote oorlog ontketende zou de antropologische fout zijn geweest waartoe de moderne metafysica van de subjectiviteit geleid heeft.

Om aan deze valkuil te ontsnappen, moeten we terugkeren naar het luisteren naar het zijn. De mens moet zich openstellen voor het zijn door “ek-sistentie”, om zijn “ek-statisch” karakter terug te krijgen. Het is niet door het omkeren van de oude uitdrukking dat essentie voorafgaat aan bestaan, zoals Sartre deed toen hij beweerde dat het bestaan voorafgaat aan essentie, dat wij ons zullen bevrijden van de metafysica van de moderniteit, maar door “ek-sistent” te zijn in een toestand van openheid voor het zijn.

Aangezien geen van deze humanismen de bijzondere waardigheid van de mens in aanmerking heeft genomen, stellen wij de toestand van “openheid” voor het ‘zijn’ en de waarheid voor als mogelijkheid voor een nieuw humanisme.

Ontheemding is een van de opvallendste gebreken van het moderne humanisme. “Het is het teken van de vergetelheid van het ‘zijn’. De mens is niet de heer van het ‘zijn’, in die zin dat zijn doel erin zou bestaan alle dingen te overheersen. Hij is “de hoeder van het ‘zijn’”, waarbij hij de wezenlijke armoede van de herder verwerft.

Op dit punt aangekomen (p. 44) herhaalt Heidegger de eerste vraag: “U vraagt mij hoe ik de term humanisme weer zin kan geven? “Te bevestigen dat het wezen van de mens in de ‘ek-sistentie’ ligt. Dat de essentie van de mens essentieel is voor de waarheid van het ‘zijn’. Wanneer men zich tegen het huidige humanisme uitspreekt, betekent dit niet dat men onmenselijk is. “Omdat men zich tegen het humanisme uitspreekt, vreest men dat men barbaarse wreedheid verdedigt”, net zoals denken tegen de logica niet betekent dat men irrationaliteit verdedigt ; dat denken tegen waarden een verdediging van nutteloosheid is; dat het postuleren van een “zijn-in-de-wereld” ons leidt tot de ontkenning van transcendentie; of dat de dood van God ons atheïsme doet postuleren, of dat wanneer we ons uitspreken tegen politieke correctheid, we afglijden naar nihilisme.

En hij eindigt dit gedeelte met een kernachtig oordeel over het idee van de mens als subject: “Bovenal is de mens nooit de mens als ‘subject’ aan deze kant van de wereld, of dit ‘subject’ nu wordt opgevat als ‘ik’ of als ‘wij’. Evenmin is hij een louter subject dat zich altijd tegelijk tot objecten verhoudt, zodat zijn essentie zich altijd in de subject/object-relatie bevindt. De mens is bovenal ex-sistent in zijn essentie, in zijn openheid voor het ‘zijn’.

Dan komt de tweede vraag: is het mogelijk de relatie tussen ontologie en ethiek te specificeren?

 Hierop antwoordt Heidegger in het kort dat de overheersende ethiek van de moderniteit de ethiek van de normen is geweest, van het moeten-‘zijn’, die gebaseerd is op de kantiaanse ethiek en de praktische politieke projectie van de burgerlijke moraal, maar dat zowel ethiek als ontologie filosofische disciplines zijn die sinds Plato tot stand zijn gekomen en die de denkers vóór hem niet als zodanig kenden.

En hij stelt het geval voor van Heraclitus, waarvan Aristoteles melding maakt, die zich, wanneer hij door toeristen wordt benaderd, aan een vuurtje warmt. Zij zijn teleurgesteld door de filosoof en hij antwoordt: “ook hier zijn de goden aanwezig”. Dit is een vrije vertaling van een fragment waarvan de eigenlijke vertaling is: het karakter is de daimon van ieder mens.

Op zo’n manier dat we terug moeten naar de pre-Socratici om een antwoord te vinden dat niets anders is dan de reflectie over de waarheid van het ‘zijn’, die tegelijkertijd de basis is van de ethiek en de ontologie, “en het is zinloos ze zo te noemen”.

Derde vraag: hoe kan het element van “avontuur”, dat aan alle onderzoek ten grondslag ligt, worden gered zonder dat de filosofie louter “avonturisme” wordt? Aan deze vraag schenkt Heidegger geduldig de laatste twee bladzijden van Over het humanisme. Alsof hij aan Beaufret duidelijk wilede maken: alle gekheid op een stokje, nu even ernstig alsjebielft. “Noodzakelijk is, in de huidige schaarste van de wereld, minder filosofie, maar meer zorgvuldigheid in het denken; minder literatuur, maar meer zorgvuldigheid in de literatuur”. Voor een goed verstaander is een half woord genoeg, en hij eindigt met te zeggen: “Het denken vat de taal samen in een eenvoudig gezegde. Taal is de taal van het ‘zijn’ zoals wolken de wolken van de hemel zijn.

Over het Humanisme (1947) is niet alleen een recapitulatie van alles wat Heidegger heeft gedacht gedurende de twintig jaar die voorafgingen aan het Zijn en de Tijd (1927), twintig jaar die de Heideggeriaanse “wending” hebben voortgebracht, maar ook en vooral een heel manifest over de manier waarop de filosofie voortaan moet worden bedreven.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: https://legio-victrix.blogspot.com/2019/10/



Categorieën:Filosofie

Tags: , , , ,