De Mens van Arnold Gehlen: nu ook in het Frans

W.A. van de Marcus Aurelius Promotie van de vormingscyclus georganiseerd door Institut Iliade (2021)

Arnold Gehlen’s antropologie is een pleidooi voor de authentieke dapperheid van beschavingen en zet Rousseau’s mythe van de nobele wilde op zijn kop.

De naam Arnold Gehlen (1904-1976) is vandaag in Frankrijk nauwelijks bekend (nota van de vertaler: Nederlandstalige lezers zijn er ook aan voor de moeite: Gehlen geniet ook bij ons nauwelijks enige bekendheid). Er zijn weinig vertalingen van zijn teksten gemaakt en weinig onderzoekers hebben zich met zijn denken beziggehouden. In Duitsland was hij echter een essentiële figuur van de naoorlogse filosofie, en zijn, nu eens hartelijk, dan weer geërgerde dialogen met Theodor W. Adorno en Jürgen Habermas drukten hun stempel op het intellectuele leven van de eerste decennia van de Bondsrepubliek.

Dankzij het grondige werk van Christian Sommer, die de levendige stijl en de scherpe terminologie van de auteur bestudeerde, beschikken we eindelijk over een Franse vertaling van zijn meesterwerk. In De Mens, oorspronkelijk gepubliceerd in 1940, rondt Gehlen de beschouwingen af die Max Scheler (1874-1928) en Helmuth Plessner (1892-1985) hebben ontwikkeld als grondslag voor filosofische antropologie, die een wetenschappelijk gefundeerde definitie zou moeten geven van de mens en zijn plaats in de wereld.

Erfgenaam van het filosofen als Nietzsche en Schopenhauer, in zijn benadering sterk beïnvloed door Vilfredo Pareto, alsmede door de theorieën van de Amerikaanse pragmatische beweging, met name John Dewey en William James, maakt de auteur indruk door de omvang van zijn wetenschappelijke kennis, die zich uitstrekt van embryologie tot ethologie, met inbegrip van paleontologie. Hoewel sommige teksten tachtig jaar na de eerste Duitse uitgave bijgewerkt horen te worden, hebben de filosofische stellingen die zij ondersteunen niets van hun kracht verloren.

Net als Scheler en Plessner, verwerpt Gehlen een biologisch reductionisme dat tevreden zou zijn met het plaatsen van de mens aan de top van de levenspiramide. Door zijn aard onderscheidt de mens zich van het dier. Maar in tegenstelling tot zijn voorgangers, neemt zijn demonstratie van de menselijke specificiteit niet zijn toevlucht tot metafysische referenties zoals de ziel. Volgens hem is de mens veeleer het schepsel dat nog geen dier is, het schepsel waarvan de eigenschappen nog niet gestabiliseerd zijn – het schepsel dat nog niet gedefinieerd is, om met Nietzsche te spreken. Geconfronteerd met de beperkingen van de buitenwereld is hij hulpeloos – hij heeft geen vacht om hem tegen de kou te beschermen, geen vleugels om hem de lucht in te tillen, geen klauwen of hoektanden om te jagen of om zich te verdedigen, zijn snelheid en zijn gladde huid beschermen hem niet tegen roofdieren. Meer dan dat, de mens beschikt niet over een instinctief arsenaal. Geen bestaand patroon regelt zijn handelingen, en zijn reactiviteit op de buitenwereld is beperkt tot eenvoudige impulsresten. Hij is, kort samengevat, een onvolmaakt schepsel.

Net door zijn tekortkomingen is de mens niet in een omgeving ingebed. Terwijl elke diersoort is begiftigd met een organische specialisatie en een zintuiglijke uitrusting die is aangepast aan een bepaalde biotoop, lijkt de mens nergens thuis te zijn. Alleen een aards paradijs, vrij van roofdieren en rijk aan grondstoffen, zou het voortbestaan van zo’n soort garanderen. Wat de mens in staat stelt zich ondanks alles in de wereld te handhaven, is zijn overgevoeligheid voor externe realiteiten. Als rechtgeaarde homo erectus kan hij zijn omgeving volledig in zich opnemen. Omdat de externe trigger hem niet monopoliseert,  geeft zijn beperkte van zijn impulssysteem hem vrij spel om de dingen onder ogen te zien. Hij staat open voor de wereld.

Het is door deze confrontatie met de wereld dat de mens zijn ware aard heeft gevormd. Zodra hij zijn ogen opent, moet de kleine man, een te vroeg geboren soort, zich in contact met de wereld verwezenlijken. Hij raakt aan, voelt aanrakingen, schreeuwt het uit en hoort zichzelf schreeuwen. Hij botst, en botst opnieuw met de buitenwereld, omdat hij onder de impact van pijn voelt dat hij bestaat. De tekortkomingen van zijn gestel dwingen hem zich tastend een weg te banen door het bestaan, maar al tastend wordt hij zich geleidelijk aan bewust van zichzelf. Het feit zelf van het bewustzijn, en dit is een van de sterkste punten van de analyse van Gehlen, legt aan de menselijke natuur een dwingende noodzaak op, die samenvalt met haar existentiële kwetsbaarheid: de mens kan er niet mee tevreden zijn, zoals het dier, te leven volgens zijn natuur. Hij moet zijn leven leiden.

In tegenstelling tot een idealistische opvatting van het individu, zoals met name gedefinieerd in Kants antropologie, maakt Gehlen zo de werkelijkheid van de mens los van het rijk der ideeën, in overeenstemming met zijn afwijzing van het dualisme dat de ziel en het lichaam scheidt. Het is niet door denken, door bezinning en zelfbespiegeling dat hij waarlijk mens is, want dit denken is nog altijd handelen. Het ligt in zijn voortdurende confrontatie met de nieuwe uitdagingen die de wereld hem kan bieden, en in de eerste plaats door de uitdaging die zijn eigen feilbare natuur hem biedt. Zijn authentieke mens-zijn is dus gelegen in de actieve verwezenlijking van zijn eigen zijn-in-de-wereld. De mens is dus slechts in overeenstemming met zijn natuur door actie. Hij is het handelende wezen.

Arnold Gehlen’s antropologie is een pleidooi voor de authentieke dapperheid van beschavingen, waarbij hij Rousseau’s mythe van de goede wilde op zijn kop zet. Akkerbouw, het temmen van het paard,  werktuigen maken, oorlog of spel, al deze culturele artefacten zijn elementen van een omgeving die de mens met zijn eigen handen opbouwt. Zijn omgeving is dus in wezen het culturele product van zijn handelen. Door zijn technische prestaties verzekert hij zich op lange termijn van zijn existentiële behoeften en smeedt hij een wereld naar zijn eigen beeld. Voor de mens is cultuur dus een tweede natuur.

Maar de hoeksteen van dit specifiek menselijke milieu is niet de materiële prestatie, maar veeleer de organisaties waarmee hij zichzelf begiftigt, en die de essentiële sociale instincten van dieren missen. Alleen instellingen, in de vorm van het gezin, de clan, de kerken, het leger of de staat, bieden de mens voldoende existentiële steun. Het is door de leidende gedachte, belichaamd in de instelling, dat hij erin slaagt een koers uit te zetten, zich vast te houden, en het is dus alleen daardoor dat de mens werkelijk toegang vindt tot zijn medemensen. De normen en waarden die zij verschaft vormen het ware milieu van de mens, want alleen deze slagen erin het instinctieve arsenaal dat hem ontbreekt te compenseren; zij reguleren en harmoniseren zijn handelen tegenover anderen en tegenover de wereld. De Mens, vooruitlopend op de in Urmensch und Spätkultur (1956) ontwikkelde theorie van de instellingen, kent deze de meest fundamentele rol toe in de riskante bestemming van de mens: als zij een onmisbare factor van stabiliteit zijn, zijn zij het ook die in de mens de opoffering voor grote doelen opwekken, waarin de schrijver de hoogste vorm van waardigheid ziet.

Als conservatief denker, bezorgd over de geleidelijke ontbinding van het traditionele sociale weefsel en de veralgemening van het consumptiemodel, ziet Arnold Gehlen in de aard van de mens kansen om zich staande te houden door actie, waarbij hij voortdurend nieuwe uitdagingen aangaat. En daarin is hij misschien meer dan enige andere denker voor de 21e eeuw. De historicus Karlheinz Weißmann noemde hem terecht de voorloper van een nieuw realisme. We kunnen alleen maar hopen dat Arnold Gehlen met deze Franse vertaling (verschenen bij Gallimard) zijn ingang zal vinden in het intellectuele debat in Frankrijk. In afwachting hopen we dat dit boek het lezerspubliek zal vinden dat het verdient.

De Mens lezen is evenwel geen ontspanning: de dichtheid, de diepgang en een strakke stijl leiden de lezer langs riskante paden. Het is een van die zeldzame werken waarin men een visie op de wereld kan verankeren.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: L’Homme, d’Arnold Gehlen | Institut Iliade (institut-iliade.com)

Arnold Gehlen, L’homme Sa nature et sa position dans le monde. Christian Sommer, Parijs, Gallimard, 2021.



Categorieën:Filosofie

Tags: