Covid-19 en Foucault

Javier Barraycoa (2021)

Thuis opgesloten zitten, de onderwerping aan de druk van het telewerken dat disciplinaire zelfregeling oplegt, of de verplichte sociale afstand van de medemens zodra men in halflege straten gaat winkelen: de filosofie van Michel Foucault biedt ons een geschikt denkkader om deze evolutie te duiden. Foucault wijdde talloze geschriften aan de verklaring van de overgang van traditionele samenlevingen naar controlerende, of disciplinaire, samenlevingen. Zijn werk is beangstigend actueel. Hoezeer wij ook de samenzweringstheorieën over het verschijnen van dit nieuwe coronavirus willen vermijden, toch krijgen wij koude rillingen als wij zien hoe in enkele dagen tijd, in het kader van een pandemie, de “tektonische platen” van de geopolitiek bliksemsnel bewegen. Maar misschien is het beter om dat voor een andere keer te laten.

Laat ons het bij enkele korte beschouwingen over Foucault houden. Dat volstaat om aan te tonen dat dat zijn theoretisch denkkader perfect toegepast kan worden op de situatie waarin wij leven. Het denken van Foucault is een belangrijke stap in het veranderen van onze visie op macht. De moderniteit van de 18de eeuw had een controlesysteem ontwikkeld dat typisch was voor een absolute staat, met als referent het panopticum: een ruimtelijke structuur die de toezichthouders in staat stelde te kijken zonder gezien te worden door de gecontroleerden. Het mechanisme, ontworpen door Bentham, kon worden gebruikt om zowel een gevangenis als een fabriek te controleren. Het alziend oog was een voorstelling van de vergoddelijking van de staat.

In de 19de eeuw echter raakte deze soevereine macht op zichzelf verouderd en moest zij zich ontwikkelen en concurreren met nieuwe vormen van sociale controle. Dit leidde tot het ontstaan van disciplinaire samenlevingen, waarin ruimtelijke afspraken en controle opnieuw een fundamentele rol speelden. Maar deze keer is het geen ideologie van de soevereine staat die de macht legitimeert, maar “micro-ideologieën” (Foucault’s “kennis”) die over elkaar heen gelegd worden, waardoor “ruimten” ontstaan waar de maatschappij gedisciplineerd wordt. Vandaar zijn diepgaande analyses van ziekenhuizen, scholen, gevangenissen, asielen, als “ruimten” waar kennis/macht (een technologische kennis van lichaam en geest) wordt toegepast, die de ontwikkeling mogelijk maakt van wat hij noemt “technologieën van het zelf”, dwz de constructie van de identiteit van het zelf door middel van wetenschappelijke kennis of knowledges (in wezen ideologieën) en de verwerving van vooraf bepaalde gedragsprocessen.

In zijn laatste werken trachtte Foucault aan te tonen dat disciplinaire maatschappij (het huidige consumptiegedrag zou een bijkomende manifestatie van zijn) de soevereine macht niet vervangt of zich ertegen verzet, maar haar veeleer aanvult. Uit deze fricties zou een nieuwe modaliteit van macht/discipline ontstaan die niet langer te maken zou hebben met de disciplinaire controle van subjecten, maar van bevolkingsgroepen. Hij noemde dit de opkomst van biopolitiek, biomacht. Met deze termen trachtte hij de bezorgdheid over de macht om de “bevolking” te controleren (een begrip dat overeenkomt met het onderwerp van de biomacht) te verklaren. Voor de Staat wordt het even belangrijk om ongemerkt zijn macht uit te oefenen over individuele onderdanen door de ontwikkeling van zelfbeheersingsdisciplines, als het onder controle houden van een subject – in zijn geheel genomen – dat de bevolking is. Vandaar de bekommernis van de Staten om de geboorten, de levensverwachting, de bevolkingsgroei, de vergrijzing van de bevolking, kortom de parameters van een levend wezen te beheersen.

Misschien ligt het genie van Foucault in zijn beschrijving van de loskoppeling van soevereine macht, disciplinaire technieken en biomacht. Deze onvermijdelijke tegenstrijdigheid tussen de verschillende vormen van machtsuitoefening zou op de meest verrassende en actuele wijze worden opgelost. De aanleiding voor dit alles zou de secularisatie van de moderniteit zijn. In een maatschappij waar het transcendente aanwezig is, kent macht – in zekere zin – geen grenzen of discontinuïteiten. Sterven betekent overgaan van onderwerping aan de soevereine staat naar de jurisdictie van een soevereine God. Daarom werd zij, in aanwezigheid van de macht, in stand gehouden (ook al was het in de bijzondere verbeelding) tot voorbij de dood. Maar de secularisatie en de immanentisering van het leven stellen een grens aan de macht. Macht kan enkel nog in de historische tijd worden uitgeoefend. Dit zou, volgens de helderziende filosoof Foucault, een resacralisatie van de temporele macht afdwingen. Maar het is moeilijk, zo niet onmogelijk, om dit te expliciet vorm te geven in een moderne of hedendaagse samenleving.

De behoefte aan resacralisatie en een systeem om zich aan te passen aan de drie vormen van macht die we hebben blootgelegd, wordt opgelost met de “sacralisatie” van een van de disciplines die in de moderniteit zijn ontwikkeld: de kliniek. Foucault ziet in de medicalisering van de maatschappij (de alomtegenwoordigheid van therapieën, medische protocollen, de veronderstelling dat wij allen ziek zijn en behandeling nodig hebben), in de door de staat aan zichzelf toegekende legitimiteit om deze therapieën te controleren en in de mechanismen van de beheersing van de bevolking en het voortbestaan van de macht. In de moderne tijd geeft de staat niet om mensen, maar om statistieken. Daarom houdt de Staat – zo beweert Foucault – zich, zodra de uitoefening van de modaliteiten van de macht in het hiernamaals onmogelijk is gemaakt, niet bezig met de dood, maar met het sterftecijfer.

We mogen niet vergeten hoe de eerste studies van onze filosoof over biomacht hun grondslagen zochten in de controle van ruimten in steden ten overstaan van epidemieën. De grote epidemieën hebben geleid tot het opnieuw inrichten van de ruimte in de steden (door het aanleggen van bredere straten, het opheffen van gesloten wijken, …) wat op zijn beurt heeft geleid tot een betere politionele en politieke controle.

Tegenwoordig, met de mondiale/lokale epidemieën, ook al worden we geleid door een meer dan onhandige regering, zien we duidelijk hoe de vaststellingen van Foucault realiteit geworden zijn. Wij hebben regeringen die zich niet bekommeren om de doden (omdat zij veroordeeld zijn om in afzondering te sterven), maar om de dagelijkse statistieken van overlijdens en besmettingen. Bijna automatisch, zonder veel poespas zijn de mechanismen ter beheersing van de ruimte waarin wij leven geactiveerd: de afzondering, onder het mom van vrijwillige zelfopsluiting. De overheid helpt via  haar media bij de controle van zelfdiscipline in onze woningen of in bij het beperken van onze verplaatsingen. En dit alles in de overtuiging dat de overheid (“de macht”) ons zal redden.

Foucault glimlacht en zwijgt.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: postmodernia.com



Categorieën:Filosofie

Tags: , , , , ,