Traditionele Chinese filosofie en kunstmatige intelligentie (AI)

Bing Song (2021)

In deze tekst belicht Bing Song aspecten van het confucianisme, het taoïsme en het boeddhisme die helpen verklaren waarom sommige Chinese filosofen niet zo krampachtig omgaan met kunstmatige intelligentie als hun westerse tegenhangers.

Internationaal is er veel discussie geweest over China’s ambitie om de komende decennia innovatieleider te worden op het gebied van kunstmatige intelligentie en robotica. Van de debatten tussen Chinese filosofen over de bedreigingen en ethische aspecten van AI is in de westerse media echter nauwelijks iets terug te vinden.

Net als de meeste westerse commentatoren hebben vele Chinese filosofen (voornamelijk opgeleid in het confucianisme, het taoïsme en het boeddhisme) hun diepe bezorgdheid geuit over de afnemende autonomie en vrije wil van de mens in het tijdperk van datamanipulatie en automatisering, en het mogelijke verlies van elke betekenis die op lange termijn aan het menselijk leven kan worden gegeven. Andere denkers zijn bezorgd over de gretigheid van de mensheid om aan het menselijk genoom te sleutelen en in te grijpen in het natuurlijke evolutieproces om een gewenste levensduur en lichamelijk welzijn te bereiken. De ongerustheid hierover lijkt groter bij confucianistische filosofen omdat sommige ontwikkelingen in AI en robotica, vooral degene die betrekking hebben op familierelaties en de zorg voor ouderen, een directe bedreiging vormen voor het fundament van het confucianisme, namelijk het belang van familielijnen en familiewaarden benadrukt.

Interessanter zijn echter de volgende drie radicaal verschillende gedachtegangen, die helpen verklaren waarom er in China veel minder paniek is dan in het Westen over de vermeende existentiële risico’s van geavanceerde technologieën zoals kunstmatige intelligentie.

Antropocentrisme vs. niet-antropocentrisme

Het antropocentrisme ziet dat de mens los van de natuur en erboven verheven. De homo sapiens, met zijn unieke rationaliteit, zelfbewustzijn en subjectiviteit, wordt boven andere dieren, planten en andere levensvormen geplaatst. Het antropocentrisme bereikte zijn hoogtepunt in het tijdperk van industrialisatie en globalisering. Hoewel deze op de mens gerichte mentaliteit in de industrielanden de laatste decennia enigszins is afgenomen, is zij in het snel industrialiserende China en elders nog wijdverbreid.

Confucianisme, taoïsme en boeddhisme zijn niet-antropocentristisch. In het klassieke Chinese denken is de typische constructie voor het begrijpen van de relatie tussen mens, natuur en maatschappij wat de “drie-eenheid van hemel, aarde en mens” wordt genoemd. Dit begrip is afkomstig uit een van de oudste Chinese klassiekers – de I Tjing of het “Boek der Veranderingen” – dat de intellectuele bron is waaruit het confucianisme en het taoïsme putten.

Hemel, aarde en mens, en de daarmee verbonden yin– en yangkrachten, werden beschouwd als de meest fundamentele bestanddelen van het universum, waarin de natuur evolueert, de mens gedijt en de samenleving zich ontwikkelt. In deze constructie maakt de mens intrinsiek deel uit van de natuur en is hij ermee verbonden. De mens kan alleen gedijen en stand houden als hij de wetten van de natuur volgt en de eenheid van natuur en mens tot stand brengt.

De mensheid, tussen hemel en aarde, is begiftigd met een uniek vermogen om van de natuur te leren, te handelen om de oorzaken van het bloeien en de duurzaamheid van hemel en aarde te bevorderen, en de “tao” of “weg” te propageren. In de confucianistische context impliceert tao een ethische leer van welwillendheid en rechtschapenheid. Hoewel de confucianistische traditie veel nadruk heeft gelegd op de pro-activiteit van de mens, is zij nog steeds gebaseerd op respect en eerbied voor de wetten van de natuur en op aanpassingen aan deze wetten in plaats van roekeloze onteigening van de natuur. De mens moet de seizoensveranderingen begrijpen en er naar leven.

De mentaliteit om in te spelen op veranderende tijden en omstandigheden is diep geworteld in de leer van Confucius. In feite werd Confucius door Mencius, een andere Chinese leermeester van het confucianisme, bejubeld als de “oude wijze”. Wat Confucius predikte en beoefende was geen dogma, maar de kennis en wijsheid die het meest geschikt waren voor een bepaald tijdperk en een bepaalde context.

De notie van eenheid tussen natuur en mens is nog belangrijker in het taoïsme. Volgens Laozi, de grondlegger van het Chinese taoïsme, “is de mens op de aarde gericht, de aarde is gericht op de hemel, de hemel is gericht op dao en dao is gericht op zijn eigen Aard”. “ Dao is immanent aan hemel, aarde en mens, die wederzijds belichaamd en constituerend zijn en in harmonie moeten bewegen. Zhuang-Zi , een filosoof die leefde in de vierde eeuw voor Christus, versterkte het idee van de eenheid van de natuur en de mens nog meer. Hij betoogde dat hemel, aarde en mens tezamen waren geboren en dat het heelal en de mens één waren.

Geen van de drie dominante scholen van het Chinese filosofische denken plaatst de mens in een oppermachtige positie in het universum.

Het boeddhisme, dat in tijdens de Han-dynastie vanuit India in China werd geïntroduceerd, legt nog minder de nadruk op de voorrang van de mens boven andere vormen van bestaan. Een fundamentele boeddhistische leer verwijst naar de gelijkheid van alle voelende wezens, waarvan mensen er slechts één zijn, en dat alle voelende wezens de aard van Boeddha hebben. Het boeddhisme spoort mensen aan om zorg en mededogen te beoefenen voor andere vormen van levende en voelende wezens.

Samenvattend kan gezegd worden dat geen van de drie dominante Chinese filosofische stromingen de mens een oppermachtige positie in het universum toekent, noch de mens en de natuur in een wederzijds onafhankelijke of concurrerende relatie beschouwt. In de context van de ontwikkeling van geavanceerde technologieën is kunstmatige intelligentie geen “natuurlijke” ontwikkeling, zodat AI vanuit het oogpunt van de eenheid tussen mens en natuur geleid en soms onderdrukt dient te worden, in naam van het respect voor de natuurlijke levenswijzen. Dit is inderdaad precies wat veel filosofen in China hebben bepleit.

Het is echter ook waar dat, waarschijnlijk als gevolg van de sterke invloed van het niet-antropocentrisme in de traditionele Chinese geloofssystemen, er in het Oosten veel minder paniek is geweest dan in het Westen over het existentiële risico dat wordt gevormd door AI. Enerzijds zijn veel Chinese filosofen gewoon niet overtuigd door het vooruitzicht van een mechanische intelligentie die verder gaat dan die van de mens. Anderzijds hebben de mensen altijd samengeleefd met andere bestaansvormen die in sommige opzichten misschien bekwamer zijn dan wij. In de taoïstische leer, waar onsterfelijken in overvloed voorkomen, kunnen AI of digitale wezens slechts een andere vorm van “superwezen” zijn. Sommige confucianistische en taoïstische geleerden zijn begonnen na te denken over de integratie van AI in de ethische orde van het ecosysteem, waarbij zij kunstmatige intelligentie als een mogelijke bondgenoot beschouwen.

Openheid voor onzekerheid en verandering

Een andere waarschijnlijke reden voor de relatief geringere paniek over geavanceerde technologie in China is de hoge mate van aanvaarding van onzekerheid en verandering in deze cultuur. We kunnen weer teruggaan naar I Tjing. De centrale leer hiervan zegt dat het universum voortdurend in verandering is het uiteindelijke bestaan van het universum dat van voortdurende verandering, en niet het “zijn” (stabiel, statisch), dat, soms onbewust, een statisch bestaan postuleert dat zeer herkenbaar is in het twintigste-eeuwse Europese denken.

De invloed van I Tjing is aanwezig in vele aspecten van het confucianisme, zoals de leer over de pro-activiteit van de mens in het anticiperen op en het beheren van verandering, die ik humanistisch dynamisme noem. Volgens Richard Wilhelm, een Duitse missionaris die aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw in China woonde en aan wie de eerste Europese vertaling van de I Tjing wordt toegeschreven: “Er is geen hopeloze situatie. Alle situaties zijn stadia van verandering. Dus zelfs in moeilijke tijden kunnen wij als een zaaier de kiem leggen van een nieuwe situatie”.

Sinds de Han-dynastie is het taoïsme een denkwijze die de nadruk legt op de voortgang van de tijd en de evolutie naar gelang van de omstandigheden. De leringen van de taoïstische filosoof Zhuang-Zi over aanpassing aan de toekomst en de verwerping van elke starheid zijn een essentieel onderdeel van de Chinese cultuur. Het idee is dat verandering en onzekerheid geen problemen zijn die moeten worden opgelost (d.w.z. “uitgeschakeld”), maar een integrerend deel zijn van de realiteit en de normaliteit.

In het boeddhisme is het concept van de vergankelijkheid van onze waargenomen werkelijkheid even fundamenteel. Bovendien vermindert de illusoire aard van onze waargenomen werkelijkheid verder het belang van levensveranderingen in het boeddhistische denken.

Misschien ligt in deze levenshouding een andere reden waarom de Chinezen zich niet zo veel zorgen maken over de mogelijke toekomst van het machinetijdperk als hun westerse tegenhangers.

Zelfreflectie, zelfcultivatie en zelfverlichting

De Chinese filosoof Thomé H. Fang (1899-1977) wees erop dat een van de overeenkomsten tussen de drie dominante filosofische tradities in China hun nadruk is op het belang van zelfbeheersing, voortdurende introspectie en het niet aflatende streven naar wijsheid. Deze drie tradities spruiten voort uit het idee dat het sociale goed begint met, en samenhangt met, individuele zelfcultivatie.

Zo benadrukken vele Chinese filosofen dat het in dit stadium van het nadenken over de existentiële risico’s voor de mens en de toekomstige richting van de technologische vooruitgang, van groot belang is dat wij in onszelf kijken en over onszelf nadenken, en dat wij leren uit de evolutie en ontwikkeling van de mens. Met andere woorden, de mens moet nadenken over zijn eigen verleden en beseffen dat wij misschien wel de kern van het probleem zijn – dat wij niet in staat zullen zijn een ethisch gezonde kunstmatige intelligentie te creëren als wij niet snel bedachtzame en ethisch verantwoorde wezens worden.

Met het oog op globale uitdagingen moeten wij misschien nieuwe wegen voor reflectie openen en inspiratie putten uit oude filosofische tradities. Het is tijd om onze nulsom-visie op concurrentie, onze neiging tot maximalisering van welvaart en ons ongebreideld individualisme onder ogen te zien en te vervangen. De beste kans om mensvriendelijke AI en andere vormen van geavanceerde technologie te ontwikkelen is dat de mens zelf meer mededogen toont (in de boeddhistische zin van het woord) en zich inzet om een inclusief en harmonisch wereldwijd ecosysteem op te bouwen.

Vertaling: rv

Oorspronkelijke tekst: https://www.noemamag.com/applying-ancient-chinese-philosophy-to-artificial-intelligence/

Illustratie: Foto door Magda Ehlers op Pexels.com



Categorieën:Traditie

Tags: , , , , , , , ,