Jürgen Spanuth, zijn Noord-Europese Atlantis en de zeevolkeren

Robert Steuckers (2020)

Toen wij in de metapolitieke nieuwrechtse beweging aan het einde van de jaren zeventig kennismaakten met de hypothese van Jürgen Spanuth, die Plato’s Atlantis in de Noordzee situeerde, meer bepaald in de verzonken delen van het Duitse eiland Helgoland, waar nog maar heel weinig overbleef van een prehistorisch, protohistorisch en zelfs middeleeuws eilandgebied, stonden wij zeer sceptisch tegenover deze stelling. Dit leek meer weg te hebben van fantasie van een door het Noorden geboeide auteur aan voor een Noordse fantasie, weliswaar gebaseerd op onweerlegbaar archeologisch bewijs, maar te zwak om enige historische zekerheid te bieden.

Jürgen Spanuth

Sindsdien heeft de archeologie van de protohistorie buitengewone vooruitgang geboekt: het prehistorische verleden van de Noordzee, waarvan de bodem slechts tussen 10..000 en 8000 v. Chr. Onder water kwam te staan, is nu beter bekend sinds het verschijnen van versteende bossen voor de kust van Wales of de Charente; de Barnsteenroute, die handelspioniers over lange afstand van de Baltische gebieden naar de Middellandse Zee bracht, is ook het onderwerp geweest van nauwkeuriger archeologisch onderzoek ; de gebeurtenissen van 1177 v. Chr., die de beschavingen van het oostelijk Middellandse-Zeegebied en de Levant volledig overhoop gehaald hebben, zijn nu beter bekend dan in de tijd dat Spanuth die, om zijn stellingen bij het grote publiek bekend te maken, niet aarzelde om een op sensatie gerichte en gemakkelijk te weerleggen terminologie te hanteren, die ook ons enigszins wantrouwig had gemaakt.

Mijn scepticisme was al heel vroeg aan het wankelen gebracht door de ontdekking van een klein Duits boekje in de prachtige boekhandel van Passage 44 te Brussel, een werk van Gerhard Gadow, Der Atlantis-Streit – Zur meistdiskutierte Sage des Altertums ( = De Atlantis-discussie – Over de meest besproken sage uit de oudheid). Gadow herinnerde zich, evenals Spanuth, de verschillende hypotheses die in de loop der tijden over Atlantis zijn geformuleerd sinds de Critias en de Timaeus vanPlato, die het verhaal terugbracht naar Solon, de Atheense wetgever, die het zou hebben meegebracht van een reis naar Egypte. Het Egyptische verslag sprak van een machtig koninkrijk voorbij de zuilen van Hercules, bestaande uit een hoofdeiland en kusten er tegenover. Dit koninkrijk grensde aan Italië, had vaste voet gekregen in Libië (Cyrenaica) en had het plan opgevat om het gehele Middellandse-Zeegebied te onderwerpen; de legers van Athene en Egypte hadden deze indringers verslagen. Andere oude bronnen noemen Atlantis: Herodotus, enkele tientallen jaren voor Plato; Elien (Claudius Aelianus), een Romeinse historicus uit de 3e eeuw v.C., die voornamelijk in het Grieks schreef; Theopompus van Chios, een Griekse historicus en redenaar uit de 4e eeuw v.C., de eerste die melding maakte van de Etrusken en de verovering van Rome door de Kelten; Posidonius van Apamea, die ongeveer 50 jaar voor de verovering door Caesar Gallië bezocht en die ons een nauwkeurige beschrijving van het land en zijn heiligdommen heeft nagelaten, die vandaag door de archeologie wordt bevestigd. De hypotheses blijven opduiken, te beginnen met die van Jean-Baptiste Bory de Saint-Vincent, een officier van Napoleon, die Atlantis na een zeer lange reis in 1799, met tussenstops op Madeira en de Canarische Eilanden rond die laatste heeft gelokaliseerd. Deze expeditie was de gelegenheid om vele aardrijkskundeboeken te schrijven, waarvan het eerste, van 1803, Essais sur les isles fortunées et l’Atlantique atlantide ou Précis de l’histoire générale de l’archipel des Canaries. De hypotheses van Bory de Saint-Vincent, die door zijn Duitse uitgever in 1804 als onwaarschijnlijk werden beschouwd, werden door de Franse duiker Jean-Albert Foex (1917-1994) wel serieus genomen, maar hij kon ze niet met archeologische vondsten staven: de archipel, die nu Spaans is, werd pas laat bewoond door de Guanchen, de eerste bewoners. In de tijd die Plato beschrijft, was Egypte een dicht en vochtig oerwoud, ongeschikt voor de sedentarisatie van de mens. Later heeft de Duitse archeoloog Adolf Schulten, die de overblijfselen had opgegraven van het Romeinse kamp dat was opgezet om het Keltiberische oppidum van Numance te belegeren, de hypothese naar voren gebracht dat het Atlantis van Plato de oude Andalusische stad Tartessos zou kunnen zijn geweest, gelegen aan de Atlantische kust, in het zuiden van het Iberisch schiereiland, rond 1150 v. Chr. gesticht door de Etrusken en zeshonderd jaar later verwoest door hun Carthaagse rivalen. De archeologie – ondanks het feit dat het een goede kandidaat was al was het maar om dat deze zuiver Iberische stad aan de Atlantische Oceaan ligt, voorbij de “zuilen van Hercules” – ook deze hypothese uiteindelijk ontkrachten. Schulten blijft niettemin de belangrijkste archeoloog van Keltische vindplaatsen en van de Cantabrische oorlogen, die door Rome tegen de volkeren van Noordwest-Spanje werden gevoerd. Vervolgens wordt de hypothese geopperd van een Atlantis dat zich rond het eiland Thera in de Egeïsche Zee bevindt, een Atlantis dat zou zijn ingestort na de uitbarsting van de vulkaan op het eiland Santorini. De hypothese van een Egeïsch Atlantis zal evenmin standhouden: de nieuwe dateringstechnieken, die steeds nauwkeuriger worden, zullen deze hypothese weerleggen.

Spanuth wilde een nieuwe theorie over Atlantis naar voren brengen, buiten de Atlantische en Iberische havens van Tartessos, de Canarische Eilanden en de Egeïsche Zee, door een stad in de Noordzee op te roepen, een beschaving die zich in haar glorietijd uitstrekte rond het overgebleven eiland Helgoland, een overblijfsel van een eens veel grotere eilandruimte, Een juweel uit de Noordse Bronstijd en commercieel verbonden met het Middellandse Zeegebied en Egypte door de handel in barnsteen, dat het mythische orichalcum van Plato’s Atlantis zou zijn geweest, en die vooral, zoals Geneviève Droz opmerkt, model staat voor een sterke en harmonieuze stad, te plaatsen in de Helleense culturele ruimte van die tijd.

Wat was de aanpak van Spanuth (1907-1998)? Wat was zijn intellectuele parcours? Hij werd geboren in Leoben in Karinthië en was voorstander van de Anschluss van een ingesloten en van de uitgang naar de Adriatische zee beroofd Oostenrijk. Tot aan zijn dood, ook toen hij geen politieke activiteiten bleef men hem dat verwijten. Theoloog en archeoloog, werkte hij van 1933 tot 1978  als evangelisch predikant van de stad Bordelum in Sleeswijk-Holstein, de Noordduitse deelstaat die zijn geadopteerde thuis zou worden. Als archeoloog sloot hij zich aan bij de door baron Bolko von Richthofen opgerichte Gesellschaft für Vor- und Frühgeschichte, die zich vooral bezighoudt met de oorsprong van de Germaanse volkeren en de archeologie van de prehistorische en protohistorische inheemse bevolkingsgroepen van Duitsland en de aangrenzende gebieden. Als protestants dominee las hij de Bijbel uiteraard zeer zorgvuldig. Die lectuur wakkerde zijn belangstelling aan voor het protohistorische en antieke verleden van het “Heilige Land”, voor de Levant in het algemeen, en voor de culturele invloeden die de Filistijnen en de Feniciërs in de regio hadden. Volgens historici in het algemeen en Spanuth in het bijzonder zijn de Phoeniciërs het resultaat van een samensmelting tussen de weinig talrijke Filistijnen, die niet inheems waren, en het plaatselijke etnische substraat. De Feniciërs leenden volgens Spanuth de navigatietechnieken en het alfabetische schrift van de Filistijnen, die uit Europa en zelfs uit Noord-Europa (Sleeswijk-Holstein) kwamen, in het kielzog van belangrijke en overweldigende volksverhuizingen, die tussen 1250 en 1170 v. Chr. in het gebied te zien waren en die de hele situatie in Griekenland, Anatolië, de Levant en gedeeltelijk ook in Egypte veranderden.

Voor Spanuth zijn de omwentelingen en grootschalige migratiegolven in de protohistorie van Europa en de Levant te wijten aan twee grote natuurrampen: de inslag van een komeet voor de kust van Slesvig-Holstein, tussen het eiland Helgoland en de monding van de plaatselijke rivier, de Eider. Het eiland Helgoland zou het centrum zijn geweest van een noordelijke bronzen beschaving, verrijkt door de handel in barnsteen en tin. En tevens de explosie van de Santorini vulkaan die de overblijfselen van de Myceense beschaving zou hebben vernietigd. Deze dubbele natuurramp zal leiden tot hongersnoden en droogtes, die de toekomstige ontwikkeling verhinderen van de culturen van de lokale bevolkingen die leven in de gebieden in contact zijn met de Bronscultuur uit het Noorden en Centraal-Europa, waar de kopermijnen van wat nu Oostenrijk is de bloei van een welvarende protohistorische samenleving mogelijk hadden gemaakt (hypothese overgenomen door Reinhard Schmoeckel).

Vele oude mythen herinneren aan dit tijdperk, dat gekenmerkt werd door verschrikkelijke rampen, die gedurende ten minste acht of negen decennia ontstellende wanorde en onverwachte volksverhuizingen veroorzaakten, met name die van de Middeneuropese volkeren van de urnenveldcultuur en de zogenaamde “Dorische” bevolkingsgroepen, die afkomstig waren van de verwoeste bronscultuur uit het Noorden. De stormvloed die volgens Spanuth werd veroorzaakt door de val van de komeet, vindt hij terug in de mythe van Deucalion en Pyrrha, het enige koppel dat de ramp overleefde en op de berg Parnassus in Griekenland aankwam; de Bijbelse verslagen van de plagen van Egypte en de Exodus van de Israëlieten; de komst van de zeevolkeren en de vestiging van de Filistijnen in Palestina, waaraan zij hun naam geven. Dan is er de mythe van Phaeton die Plato vertelt Plato, waarin de zoon van Helios, de zonnegod, de zonnewagen van zijn vader met vreselijke onhandigheid bestuurt en een kosmische catastrofe veroorzaakt die leidt tot zijn val voor de monding van de rivier Eridanos. Dit is een directe toespeling op een kosmische catastrofe in het oorspronkelijke gebied van de “Atlanten”. De Egyptische mythe van Sekhmet en de Syrische mythe van Anat zinspelen er eveneens op, evenals de Perzische Avesta en de Germaanse Ragnarök, zonder voor de overstroming het zeer omstreden Friese verhaal Oera-Linda te vermelden. De Oudgriekse historicus Hecatus van Milete zal trachten de mythen te ontcijferen, hun werkelijke historische samenhang te herstellen, met name voor de geschiedenis van het Europese subcontinent, door een Keltische stad (polis keltikè) met de naam Nyrax op te roepen, die ofwel ten noorden van Marseille (Massilia) ligt, ofwel in Karinthië (in de Romeinse provincie Noricum), waar zich in historische tijden een stad met de naam Noreia bevond.

De catastrofen in de periode van 1250 tot 1170 v. Chr. lijken dus zowel door de mythologie als door de archeologie te worden bevestigd. Na Spanuth voegt de omstreden historicus H. K. Horken aan de door Spanuth geschetste kosmische catastrofe de instorting van de Doggersbank midden op de Noordzee toe, die inmiddels door archeologen is bevestigd. De Britse archeoloog Paul Dunbavin suggereert van zijn kant de verdwijning van een protohistorische beschaving tegenover de Atlantische Oceaan in Wales, een hypothese die nu wordt ondersteund door de ontdekking van een fossiel bos, vol menselijke artefacten.

De antieke chronologie spreekt, met Solon, van een tijdperk dat dateert van 9 000 voor het hoogtepunt van de klassieke Atheense beschaving. De bronnen van Solon waren echter Egyptisch, een beschaving die de maanseizoenen telde en niet de jaarlijkse zonnecycli: de 9 000 maanseizoenen van Solon en zijn Egyptische bron zouden dus overeenkomen met ongeveer 673 zonnejaren, wat onze Athener terugbrengt naar de periode van de grote catastrofen van 1250 tot 1170. Spanuth heeft deze zonnetijdrekening gehanteerd. De volkeren van het verwoeste gebied zullen nu naar Griekenland en de Middellandse Zee trekken, juist langs de barnsteenroutes vanaf de Noordzeekust en vooral vanaf de Oostzee, die hun rijkdom hadden opgeleverd. Toen zij in Griekenland aankwamen, volgens Spanuth en zijn volgelingen, ontrukten zij dit gebied aan de Oosterse invloeden. Griekenland hield op Myceens te zijn, dacht Spanuth, omdat de Dorische migranten het gebied verwoestten en zich er vestigden. De archeologie heeft hem op dit punt, evenals op andere punten, geen gelijk gegeven: deze nederzetting zou later hebben plaatsgevonden. De Doriërs zouden alleen Griekenland hebben doorkruist, zonder al te veel verwoesting aan te richten, om op te rukken naar Egypte. Nadat ze door de Farao verslagen waren, zouden zij later zijn teruggekeerd, naar de Myceense streek die door andere rampen was verwoest. Spanuth spreekt vervolgens over de “terugkeer van de Herakliden”, een thema waaraan hij een werk heeft gewijd dat zijn oorspronkelijke stellingen aanvult en corrigeert. Bijgevolg valt de val van de komeet in Noord-Europa bijna samen met een andere ramp in de Egeïsche Zee, namelijk de uitbarsting van de vulkaan van Santorini. Het is de uitbarsting van de vulkaan die de verdwijning van de Myceense beschaving veroorzaakte waardoor de overblijvende  Doriërs of Herakliden, verdreven door de troepen van de Farao, zich er konden vestigen. De confrontatie tussen Egypte, de zeevolkeren en de andere volken die uit Europa waren gekomen, zou echter het rijk van de Farao ernstig verzwakt hebben, waardoor de Israëlieten uit Egypte vluchtten, waar zij in botsing kwamen met de Filistijnen, die van Europese afkomst waren, in wat nu Palestijns gebied is, dat toen het “Land Kanaän” werd genoemd.

Gerhard Gadow herinnert ons aan het begin van het werk van Spanuth in het boek dat hij gedeeltelijk aan hem wijdt. In de zomer van 1953 begon Spanuth de zeebodem van de Noordzee te verkennen, in het bijzonder de Steingrund (letterlijk: de stenige bodem) ten oosten van Helgoland. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was een Duits oorlogsschip op deze zeebodem aan de grond gelopen, wat leidde tot de activiteit van duikers die er uitgehouwen stenen ontdekten: Spanuth dacht dat dit gebouwen of paleizen waren die representatief waren voor de bronscultuur uit het Noorden waarvan hij meende dat ze door een kosmische ramp was vernietigd.  De publicatie van de resultaten van dit onderzoek bracht een polemiek onder archeologen op gang, waarbij Spanuth te maken kreeg met hardnekkige tegenstanders die zijn hypotheses verwierpen zonder ze werkelijk te onderzoeken. Een archeoloog zal herinneren aan Schliemann, die ook voor een gek werd aangezien, terwijl hij het Homerische Troje herontdekte.

In de polemieken waarbij Spanuth werd gehekeld en uit de debatten werd gehouden, wordt meestal de nadruk gelegd op zijn “Atlantis”-hypothese, omdat dit begrip, ontleend aan de Plato, in de loop der decennia aanleiding heeft gegeven tot een golf van vergezochte en ongeloofwaardige thesen, die onder de noemer moderne mythe, utopie, fantasmagorie of literaire fantasie vallen.  Men vergeet gemakkelijk dat Spanuth de auteur is van twee goed gefundeerde delen, het ene over de Filistijnen en het andere over de Feniciërs, beide uitgegeven door Otto Zeller uit Osnabrück, die, naast vele andere dingen, een van de Duitse vertalers was van de Veda’s, de Ilias en de Odyssee. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Dr. Otto Zeller, een Indianist, als tolk voor de Indiase Onafhankelijken die in Berlijn waren om de As-mogendheden te dienen. Zeller maakte zich de stellingen van Spanuth eigen, vooral in een boek dat hij alleen voor leden van zijn familie had uitgegeven, maar waarvan hij mij een exemplaar aanbood toen ik in 1985 zijn uitgeverij bezocht (zie bibliografie). Voor Zeller begonnen de opeenvolgende migraties van de zogenaamde “Indo-Europese” volkeren in de protohistorie vanuit het door Spanuth aangegeven gebied: de migrerende stammen behielden hun namen, die veranderden volgens de regels van consonantmutaties en vestigden zich soms ver van hun oorspronkelijke woonplaats. Zeller houdt niet vast aan de hypothese van vaste vetsigingsplaatsen, maar suggereert die van een tussen de Atlantische Oceaan en de Indus uitzwermend volk, waabij zij vaak hun stempel op de het grondgebied drukken en onomastische sporen nalaten. Hij veronderstelt dus dat de Friezen, dicht bij de Helgolandse haard van Spanuth, op een door Oswald Spengler beschreven wijze, vooral in het bekken van Parijs (de “Parisii”) en in Engeland (andere “Parisii”) zwermden, zelfs tot aan de kusten van de Kaspische Zee en in Perzië, waar de heersende clans van al dan niet verre Friese afkomst waren.

Spanuth is dus in wezen, voor de wetenschappelijke gemeenschap, niet de theoreticus van een Atlantis dat zich rond Helgoland situeert, want die hypothese wordt als een persoonlijke fantasie beschouwd, maar de archeoloog die de Filistijnse en Fenicische beschavingen heeft verkend. Voor Spanuth was de invasie van de zeevolkeren, waaronder de Filistijnen, degelijk  gepland, omdat zij het Egypte van Ramses III van drie kanten tegelijk aanvielen: vanuit het Libische westen, vanuit het de  Sinaï in het oosten en vanuit de Nijldelta in het noorden.

Zijn werk over de Filistijnen is met name gebaseerd op een correcte ontcijfering van de fresco’s van de Egyptische tempel van Medinet Haboe, die verhalen over de zegevierende veldslagen van farao Ramses III tegen de volkeren van de zee.  De archeologie heeft altijd gespeculeerd over de oorsprong van deze zeevolkeren die probeerden Egypte te onderwerpen. De hiërogliefenteksten van Medinet Haboe zeggen: “De volkeren van de verre noordelijke oceaan smeedden een complot op hun eiland. Zij beraamden een plan om alle landen tot aan de verste uithoeken van de Aarde in te nemen. Geen koninkrijk weerstond hun wapens. … werden (allemaal) tegelijk vernietigd. Zij sloegen hun kamp op in een plaats die Amarru (= Palestina) heette. …en zei toen: “Voorwaarts naar Egypte.” Zij hadden zich geallieerd met Peleset, Sakars, Dennes, Sekels en Wasasa. Voor Spanuth zijn de Peleset de Filistijnen uit de Bijbel en de Sakars en Dennes zijn waarschijnlijk stammen van hetzelfde volk. De Sekels zouden van Sicilië komen, de Wasasa van Corsica. Na hun nederlaag tegen troepen van de Farao trokken de Filistijnen zich terug naar Palestina, voornamelijk aan de Middellandse-Zeekust. De Sakars vestigden zich in het huidige Libanon en de Dennes op Cyprus, waar zij meesters werden in de kunst van het bewerken van koper, de belangrijkste hulpbron van het eiland.

In het westen zullen de Lebu (= Libiërs), de Tyrrheniërs en de Sardana (= de Sardijnen?), gesteund worden door de Wasasa van de Zee en in het westen van het rijk van de farao’s blijven, onder de Libische stammen. Ongetwijfeld zegeviert de farao in Egypte, maar, aldus Spanuth, hij verliest de controle over de gebieden die thans Palestijns of Libanees zijn, terwijl zijn voorganger Ramses II ze na de beroemde slag bij Qadesh (-1288) veroverd had op de Hettieten. In de Levant was een nieuwe factor opgedoken: de Filistijnen hadden inderdaad de Levantijnse provincies op Egypte veroverd. Deze waren belangrijk want ze boden de Egyptische handelskaravanen een rechtstreekse toegang tot Mesopotamië. De Egyptische forten in de streek, die na de schok van Qadesh tegen de Hettieten werden gebouwd maar vervolgens tussen 1250 en 1170 v. Chr. door natuurrampen werden verwoest, zijn nooit heropbouwd. Het door de Filistijnen gecontroleerde land strekte zich, zo toont Spanuth aan, uit tot in de onmiddellijke nabijheid van de Nijldelta. De uittocht van de Hebreeuwse stammen uit Egypte, die in de Bijbel is opgetekend, heeft alleen zin, zegt Spanuth, als de macht van de Farao niet langer werd uitgeoefend over het land dat zij enkele generaties eerder hadden verlaten. Deze uittocht zou hebben plaatsgevonden door de smalle strook land die de Middellandse Zee scheidt van Sabkhat el Bardawil (Zee van Sibonis in de oudheid) ten noorden van de Sinaï, die noch voor de Filistijnen noch voor de Egyptenaren van belang was. Aan het einde van deze ondankbare strook land moesten de Hebreeuwse migranten de woestijn oversteken en, veel later, de nuttige en door de Filistijnen beheerste kustgebieden van het binnenland innemen. 

Voor Spanuth zijn de land- en zeeroutes die door de zeevolkeren werden gebruikt, de routes die in de protohistorie Egypte verbonden met de kusten vanwaar barnsteen, dat zo gewaardeerd werd in het rijk van de farao’s, en tin uit Cornwall op de Britse eilanden, dat toen gekenmerkt werd door megalithische cultuur, afkomstig waren. Vanaf de zuidkusten van het huidige Engeland volgden deze routes de loop van de rivieren de Seine, de Saône en de Rhône op het continent, alvorens de drie grote eilanden van het westelijke Middellandse-Zeebekken te bereiken. Een zeeroute loopt langs de Atlantische kusten en komt via Gibraltar de Middellandse Zee binnen om de Balearen en Sardinië te bereiken.  De eerste van de barnsteenroutes loopt via de Weser en de Rijn, volgt dan de Doubs, de Saône en de Rhône en sluit aan op de route vanaf de Britse eilanden. Een tweede route volgt de loop van de Elbe naar Bohemen, waar deze zich vertakt en voor de eerste van deze vertakkingen de barnsteenkooplieden meebrengt en vervolgens de volkeren die langs de Donau en de Inn naar Italië trekken; en, voor de tweede van deze takken, in de richting van de Donau tot Belgrado, waar zij de loop van de Grote Morava volgt en vervolgens afdaalt in de loop van het Griekse riviertje, de Vardar, dat zijn monding heeft in de Egeïsche Zee rond Salonika; van daaruit konden de volkeren uit het Noorden zich verspreiden naar Kreta, Cyprus, het Hettitische Anatolië en langs de Middellandse-Zeekusten vanuit de Levant tot aan de Sinaï. De derde route, die vertrekt vanaf de Oostzee, volgt de Oder en komt uit op de kruising Donau/Egeïsche Zee.

De huidige archeologie bevestigt niet rechtstreeks de stellingen van Spanuth, maar wel alle hypothesen die een vrij hoge graad van cultuur suggereerden in Midden-Europa en in de meer noordelijke streken van Mecklenburg, Pommeren, de landen aan de monding van de Vistula en de kusten die zich uitstrekken van deze rivier, die nu Pools is, tot de kusten van alle Baltische staten. Zo reconstrueren onze twee auteurs in een boek dat in Duitsland populair was, Die Bernsteinstrasse, van Gisela Graichen en Alexander Hesse, de geografische kaart van de handelsbetrekkingen in de Europese, mediterrane en Levantijnse protohistorie, waarbij zij hun betoog onderbouwen met recente archeologische bewijzen, die tot op heden weinig bekend zijn bij het grote publiek. De handel in Baltisch barnsteen kan in Egypte reeds worden getraceerd in de tijd van farao Toetmosis III, die ook karavanen organiseerde om lapis lazuli te halen uit oostelijke streken van wat nu Afghanistan is. De kleinzoon en opvolger van deze farao, Toetmosis IV trouwde met een prinses uit het Mittanni-rijk (Syrië, Noord-Irak), waarvan de etnische samenstelling slecht gekend is, maar waar we wel een Indo-Europese aanwezigheid kunnen vermoeden, vooral onder de strijdwagenmenners van het leger. De prinses brengt, in haar bruidsschat, juwelen gemaakt van barnsteen. Dit huwelijk bezegelt de vrede met het Egypte van Toetmosis III, die, als overwinnaar, de Egyptische heerschappij over de Levant had geconsolideerd. Deze Egyptische overheersing maakte de ontwikkeling mogelijk van de haven van Byblos (Libanon) waar waarschijnlijk barnsteen aankwam en van waaruit cederhout naar Egypte werd verscheept, waarvan de palmbomen slechts hout van mindere kwaliteit leverden, ongeschikt om de faraonische constructies te dragen.

De barnstenen voorwerpen waren waarschijnlijk niet afkomstig van de westelijke landroute, aangezien er geen bewijs is van gewapende conflicten of handelsbetrekkingen met de Libische stammen die ten westen van het land van de Farao woonden. In het graf van de jonge Toetanchamon (1334 v. Chr., 1324 v. Chr.) werd een groot aantal voorwerpen van Baltisch barnsteen ontdekt. Zij zijn van een zodanige afwerking dat kan worden bevestigd dat zij afkomstig zijn van de terpencultuur, die in die tijd in het Oostzeegebied was gevestigd. De hypothese is dat zij in etappes over land werden vervoerd van de Oostzee naar Griekenland en vandaar naar de havens van de Levant en Egypte. Toetanchamon ontving deze voorwerpen dus rechtstreeks uit Noord-Europa of via de steden van de Levant. Er wordt verondersteld dat de zonnecultus, opgelegd door Achnaton, echtgenoot van de beeldschone Nefertiti, een Noord-Europese oorsprong heeft, omdat er in het Noorden in deze protohistorische periode voorwerpen van zonnecultus bestonden, zoals blijkt uit de prachtige zonnewagen die ontdekt is in Trundholm, Denemarken, en die dateert van 1400 v. Chr. Graichen en Hesse schrijven: “Ideeën, voorstellingen, religies reisden duizenden kilometers, zelfs toen er nog geen Internet was” (p. 225).

Maar de tijd van de grote rampen, die alle rijken en koninkrijken in de Levant, Anatolië en Griekenland en, volgens Spanuth, het eilandenrijk in de Noordzee rond het eiland Helgoland te gronde richtten, had ook zijn weerslag op Noord-Duitsland. Op het grondgebied van de huidige deelstaat Mecklenburg-Vorpommern hebben archeologen sporen gevonden van een voor die tijd grote veldslag en slachtpartij, die wellicht rond de barnsteen van de Oostzee draaide. In de ijzige dalen van de Alpenpassen worden kettingen van barnstenen kralen gevonden: zij lijken op die welke in de graven van de farao’s, Myceense koningen en prinsen van Qatna (Syrië) werden gevonden. De Alpenpassen waren dus de doorgangsroute voor barnsteenverkopers naar Egypte, Griekenland en de Levant. Naast de Alpengebieden schijnt ook de stad Halle in wat nu Duitsland is, in die tijd een opslagplaats voor barnsteen te zijn geweest, alsmede een centrum voor astronomische waarnemingen, aangezien de beroemde Nebra-schijf, de eerste in kaart gebrachte weergave van de hemel en de sterren, daar werd ontdekt. De vraag die archeologen in Midden-Europa zich vandaag stellen is: wat gebeurde er tussen de Alpen en de Oostzee, precies op de routes die barnsteen naar het zuiden, koper en tin naar het noorden, en zout en barnsteen naar de Middellandse Zee brachten? 

Het Bijbelse bevat het verslag van de exodus van de Hebreeën naar de Levan, en situeert dat in dezelfde periode. In Noord-Europa vestigde zich een volk met vrouwen, kinderen en vee in het prealpengebied, dat noordwaarts trok naar de Baltische gebieden, waar barnsteen vandaan komt. Alleen recente archeologie kan dit bevestigen, aangezien er geen geschreven bronnen zijn over deze trek ten tijde van de grote rampen. Deze Danubische en pre-Alpijnse stam droeg tin en, in kleinere hoeveelheden, goud in hun bagage. In het dal van de rivier de Tollense, ten zuiden van de huidige stad Greifswald, vocht de stam met haar bronzen wapens tegen de inheemse bevolking die weigerde haar een doorwaadbare plaats te laten oversteken. Er volgde een veldslag waarvan de sporen teruggevonden werden in de modder van de rivierbedding: skeletten van mannen, tussen 20 en 40 jaar oud, verminkt, hun schedels ingeslagen met knuppels, hun ruggengraat verbrijzeld. Hun voeding blijkt gierst uit de uitlopers van de Alpen te zijn. Vragen: waarom deze confrontatie, wat staat er op het spel? Waarom werden de lichamen van de verslagen Donaumigranten niet begraven en hun schatten niet volledig geplunderd? Heeft deze afgeslachte zwervende stam, zijn gebied van herkomst verlaten als gevolg van een algemene verslechtering van het klimaat? En wat is de oorzaak van deze klimaatsverandering? De val van de meteoriet in de Noordzee en de uitbarsting van de Santorini vulkaan, zoals Spanuth denkt? Of wilde het de kusten waar barnsteen vandaan kwam overnemen, zodat het geen tol hoefde te betalen aan tussenhandelaren en deze bloeiende handel met Egypte voor eigen gewin kon monopoliseren?

Op 17 maart 1991 vernam het museum van Neustrelitz dat op een akker in de buurt van de stad een sensationele ontdekking was gedaan: in een grote keramische urn die door de plaatselijke bevolking was opgegraven, werden 700 bronzen voorwerpen, 180 glazen kralen en 20 Baltische barnstenen kralen gevonden. De glazen kralen zijn van Egyptische oorsprong of afkomstig van de oevers van de grote Zwitserse meren. Archeologen menen dat de begraving van deze schat een offer aan de goden is, misschien om hen gunstig te stemmen na rampen en klimaatveranderingen, om in harmonie te zijn met het numineuze, door middel van een unio magica. Maar afgezien van deze religieuze dimensie bewijst de ontdekking van Neustrelitz dat Midden- en Noord-Europa geen achtergebleven en desolaat gebied was, dat in zichzelf gekeerd was, maar in contact stond met de Middellandse Zee, Egypte en dus de Levant, Mesopotamië en waarschijnlijk de Afghaanse gebieden die tin en lapis lazuli leverden, hetgeen de hypothese van Zeller zou kunnen bevestigen dat fragmenten van stammen, jongeren uit de sibben, zich vestigden langs de handelsroutes, tot in India op het min of meer Indo-Europees geworden gebied tussen Europa en India of Sinkiang. 

In april 2011 ontdekt een archeoloog in de buurt van Diepholz in Nedersaksen bronzen voorwerpen gemaakt van materialen uit Balkan-Europa en gouden artefacten uit Centraal-Azië. Dit Duitse gebied, dat dichter bij de Noordzee dan bij de Oostzee ligt, onderhield dus in de Bronstijd handelsbetrekkingen met zeer veraf gelegen landen. De wijze waarop dit goud werd verwerkt, wijst op een zeer geavanceerde kennis, die voorheen in onze streken onvermoed was. Midden- en Noord-Europa waren dus met de buitenwereld verbonden door handelsroutes die in beide richtingen liepen, met waarschijnlijk op gelijke afstand van elkaar gelegen etappeplaatsen langs leylijnen, zonder dat de ontvangers aan de uiteinden elkaar ooit ontmoetten.

In 1994 heeft de etnoloog Hans-Peter Duerr, specialist op het gebied van Zuid-Amerikaanse inheemse religies en sjamanistische godsdiensten, maar ook specialist op het gebied van de plattelandstradities van Noord-Friesland (en dus Sleeswijk-Holstein), in de buurt van Helgoland het water verkend dat het middeleeuwse stadje Rungholt in de ondiepe Waddenzee overstroomde, waarbij bij eb soms stranden van meer dan 5 km lang werden achtergelaten. Daar ontdekt hij voorwerpen uit het Middellandse Zeegebied. Deze ontdekkingen doen bij archeologen vragen rijzen over de zeeroutes uit de Bronstijd tussen dit Sleeswijk-Holstein en de Britse eilanden, waar zich de tinmijnen van Cornwall bevinden. Zij menen reeds dat er ten minste elementaire scheepvaart plaatsvond van de kusten van dit Noord-Franse gebied naar het eiland Helgoland, waar rood vuursteen werd gedolven. Zij geloven ook dat er riviervaart bestond, evenals kustvaart rond de Noordzee.  De bossen, die vrij dicht waren, werden doorkruist door begaanbare paden, met houten doorgangen in de moerassige gebieden en verschillende versterkingen met planken. De hypotheses van Duerr uit 1994 geven nu een duidelijker beeld van de prehistorie en de protohistorie van deze regio en vormen de grondslag voor verder onderzoek naar de Noordzee in de Bronstijd, dat wellicht sommige van Spanuths stellingen kan bevestigen.

Voor de prehistorische of protohistorische scheepvaart, thans aannemelijker dan zestig of vijftig jaar geleden toen Spanuth zijn onderzoek begon, verwijzen wij, althans voor het Kanaalgebied, naar de noordelijke en zuidelijke kusten van Armorica en het Iberisch schiereiland, aan de opmerkelijke stellingen van de Britse archeoloog Barry Cunliffe, die met name een oceaan/Atlantische scheepvaart oproept voor het vervoer van metalen (goud, tin, koper), waarmee reeds in het vijfde millennium vóór onze jaartelling een begin zou zijn gemaakt. Als een dergelijke scheepvaart op de woelige wateren van de Atlantische Oceaan mogelijk was, moet de doorvaart van zelfs weinig gesofisticeerde schepen, op de Noordzee gemakkelijker zijn geweest, om toegang te krijgen tot het koper en tin van de Britse eilanden, dat ongetwijfeld via de rivier naar de voor-Alpiene centra van de protohistorische handel met het oostelijke bekken van de Middellandse Zee werd gebracht. Helgoland, gelegen aan de monding van de Elbe, kon dus een sleutelrol spelen en fungeren als een eilanddepot, en dus een veiliger plaats, voor rijkdommen uit de Atlantische rand enerzijds, en uit de Balkan, springplank naar Egypte en de Levant anderzijds. Interessant feit: de protohistorische rotsgravures van Scandinavië talrijke tekeningen van boten van verschillende lengte vertonen.

Laten we teruggaan naar Egypte en de Levant. Na de nederlaag van de Filistijnen in Egypte en de uittocht van de Hebreeën leefden deze twee volkeren gedurende een eeuw of twee als buren zonder met elkaar in conflict te komen. De Filistijnen beheersten zeevaart-, ruiter- en bouwtechnieken die de Hebreeërs van die tijd niet bezaten. En waarschijnlijk hebben ze hun alfabet, afgeleid van een Europees schrift, aan hen doorgegeven. De Filistijnen speelden dus een onmiskenbare beschavende rol in de Levant. Spanuth zal deze rol nader omschrijven in zijn werk over de Feniciërs. De Feniciërs beheersten uiteindelijk een groot deel van het Middellandse-Zeegebied, stichtten Carthago en verschillende handelsposten in het pre-Romeinse Hispania, voordat zij tenonder gingen door de herhaalde aanvallen van de Semitische volkeren in het achterland van de Levant.

Ik ga hier niet in op de geschiedenis van het herstel van de Europese en Mediterrane wereld na de rampen die zich tussen 1250 en 1177 v. Chr. hebben voorgedaan. De breuk die deze rampen voortbrachten en waarvan de omvang nog steeds niet helemaal duidelijk is, wordt bestudeerd door de Amerikaanse professor Eric H. Cline, die ook gewag maakt van een protohistorisch Euromediterraan en Euraziatisch internationaal handelsnetwerk, dat zonder al te veel conflicten functioneerde en zeker gestabiliseerd was na de overwinning van Ramses II bij Qadesh op de Hettieten. Dit netwerk stortte plotseling in, onder meer door de conflicten met de “zeevolkeren”. Het aan archeologen om de redenen van deze ineenstorting te achterhalen. Spanuth wilde niets anders doen. De toekomst zal ons zeker meer precieze verklaringen geven van deze tragedie van dit lang vervlogen deel van onze Europese geschiedenis..

Vertaling: rv

Origineel met illustraties: https://robertsteuckers.blogspot.com/2020/04/jurgen-spanuth-son-atlantide.html?spref=fb&fbclid=IwAR32iCH1DmRTcNATnrTmTA5m_LTXSk2W5-Dzq7q30QG7f7OkAz9Wiw0Esss



Categorieën:Geschiedenis, Mythologie

Tags: , , , , , , ,